Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het sobere middagmaal en gepantserd met z'n trotsheide hij n half uur later bij kapelaan Grabinger aan. 'n Oude, rimpelige gedienstige, aan wie hij z'n naamkaartje toevertrouwde, het hem in 'n klein spreekkamertje. Doch niet lang behoefde hij te wachten; klakkend op 't plaveisel van de gang, hoorde hij dra den zoo bekenden lichten stap van den ouden vriend naderen. Toen werd de deur open gezwaaid en stond hij vóór hem, fragiel, hoekig van magerte en op het bleeke, holle gezicht koortsblosjes van verrassing en opgewondenheid.

En z'n beide magere handen met het blauwe netwerk der aderen en de diepe holten tusschen de spannende spieren, strekten zich als verlangend naar Siegfried uit.

„Rumpke, wat 'n verrassing". Als 'n liefkoozing klonk de begroeting. De handen grepen elkaar, hielden elkander vast in hartelijke omklemming. Doch sterker had de klare, eerlijke klank der trouwe, bekende stem Siegfried in de ziel gegrepen. Ontroering deed de zijne trillen; 'n warm rood steeg in z'n gezicht en hij had de sensatie of onweerhoudbaar de tranen zouden springen in z'n oogen. Het was de ontroering van het weerzien. Doch ook de ontroering van het contrast.

Want hij zag zich zelf jong, gezond, naar het uiterlijk wel verzorgd naast dezen uitgeleerden jongen man in de slobberige soutane en te wijde halsboord; maar tevens zag hij de sereene ziel, die uitstraalde in de kinderoogen, terwijl hij z'n eigen blik vertroebeld wist en donker van innerlijken strijd, onrust en zorg. Met ontstellende duidelijkheid drong het tot hem door: juist het tegenovergestelde van wat men verwachten zou, was bij hen het geval: vrede en blije opgewektheid bij den ten doode opgeschrevene, die met het leven moest hebben afgerekend, verbijstering bij wie alles nog verwachten mocht

Sluiten