Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van het leven doch wiens ziel in doodsnood verkeerde.

Deze smartelijke erkenning zei Siegfried meer, dan al z'n eenzaam getob en gemijmer en reeds voorvoelde hij, dat van z'n voornemen om, zich opsluitend in z'n hoogmoed, z'n innerlijke moeilijkheden te verzwijgen, niets zou overblijven, wanneer z'n oude vriend met z'n wonderlijk-vorschende oogen en ontróerend-trouwhartige stem hem vragen zou naar z'n wederwaardigheden. En terwijl hij zich voeren het naar de als 'n cel eenvoudige kamer van den geestelijke, kreeg hij in 'n laatste opstorming van z'n trots bijna spijt van dezen <— hij voelde het — beslissenden stap. Echter, terugkeeren was'niet meer mogelijk. Het eenige wat hij kon doen, was te trachten in hun besprekingen niet te belanden op het gevreesde terrein.

Hij had den eenigen, met leerdoek bekleeden leunstoel — ziekestoel, flitste het meewarig door Siegfrieds denken terwijl hij er zich in neerliet — moeten nemen, dien de kamer rijk was en zat nu uit het raam in den tuin te staren, daar Z'n vriend hem even alleen had gelaten om koffie voor hen beiden te bestellen bij de oude huishoudster.

Al het liefelijke was daar buiten in den zon-doorjubelden tuin, vol bloemen en heesters in 'n weelde van herfstkleuren; alle strengheid en weeldeverzaking was in het holle vierkante vertrek met z'n witte muren en simpele meubelen. Alleen was er de geestelijke rijkdom van de overvolle boekenkast, waren er als smaakvolle versiering 'n paar heiligenbeelden van de strenge Beuronerschool en 'n antiek houten kruis.

En in 'n hoek bij een der ramen stond de vleugel, het vurig begeerde instrument, waarvoor kapelaan Grabinger tijdens z'n Regensburger tijd reeds spaarde van z'n karig inkomentje, tegenover de vertrouwde vrienden weemoedig schertsend, dat hij hoopte van Onzen Lieven Heer ten

Sluiten