Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

X

'n Vroege Maartdag bracht warmte en zon, of de lente reeds haar intrede deed. Langs de stammen der naakte boomen schampten de gouden lichtflitsen en sterrelden in het grachtwater, dat rimpels trok onder de beroering van 'n frisch briesje. Het leven in de kleine provinciestad, ontwakend uit de kleumige, wintersche versaaiing, begon zich te roeren op dezen onverwachten, milden, zon-doorjuichten dag. De kinderstemmen der joelende schooljeugd galmden en gilden in lentedronkenheid; met onnoodig bel-gering wielerden de jongens en meisjes van de Kweek en de H.B.S. op hun flikkerende, stralende fietsen 'n grachtje of singeltje tusschen schooltijd rond; de bezadigde burgers leken wat Juider te praten, jovialer en lacheriger dan anders, in hun nopjes over het kostelijke weer, dat hen de winter-ellende deed vergeten. Alleen als ze kwamen voorbij het oude, smalle huis op de Poortersgracht, waarvoor 'n dikke laag zand was gestrooid en waar op de deur 'n beschreven papierstrook bevestigd was, dempten ze even hun stemmen. De gezichten der ouderen versomberden in meewarigheid, kennissen wipten even de stoep op om het briefje te lezen.

‚ÄěRustige nacht. Toestand dezelfde. Verzoeke zonder noodzaak niet te bellen".

Terugkeerend gluurden ze als schuw naar het huis, vervolgden gedrukt hun weg. Dat het hopeloos stond

16

Sluiten