Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

te sterven lag. Het was lente en hij wachtte op z'n meisje om met haar de gewone middagwandeling te doen. Het leven was nog goed en vol beloften. Hij trad voor het venster. Maar daar zag hij de dikke laag zand, die het plaveisel bedekte en schuw week hij terug tot achter in de kamer. De afschuwelijke werkelijkheid was op hem ingedrongen, opnieuw en met ontstellende overtuiging, en als degeen, die de oorzaak van de ellende was, vreesde hij de blikken van de voorbijgangers.

Heel den weg van het station naar hier, had hij die gevreesd. Had men hem herkend? Hij wist het niet. , Niet opkijkend had hij zich voortgerept, langs stille binnensteegjes zooveel mogelijk. Niemand had hem gegroet. Misschien had niemand hem willen groeten. O, tante Cato had gelijk; het weerzien was droevig en erger dan dat Hij stond bij den puinhoop en van z'n eigen leven en dat van Thilde. En hij kon de toekomst niet eens meer opbouwen uit mooie herinneringen. Hij mocht aan niets denken dan aan 'n toekomst van boete. Maar hoe graag zou hij zich het strengste leven opleggen, afstand doen van alles wat 'n glimp van geluk kon geven, als hij daarmee Thilde's leven kon redden, ongedaan maken, wat hij aan haar misdreven had.

Ze had hem geschreven, dat ze hem vergaf, dat ze nooit opgehouden had hem hef te hebben en voor hem te bidden; doch dat gaf hem geen verlichting, verzwaarde veeleer z'n schuld. Groote God, wat had hij versmaad en wat had hij, bezeten door den duivel van eeren genotzucht, nagejaagd! En slechts bereikt om te ervaren, dat alles vooze ijdelheid was, behalve wat wortelde in God. En toch mocht hij zich nog gelukkig achten, dat hij tot dit inzicht was gekomen, zij het ook tot 'n ontzettenden prijs. Stellig had bij dit te danken

Sluiten