Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aan Thiides gebed. Zou hij haar gebed ook durven vragen voor den inkeer van die eene, die thans ver van hem verwijderd was en wier toekomst z'n gestadige zorg zou wezen? O, als hij door Thiides gebed ook Lilly's onsterfelijke ziel gered mocht weten.

Het gerammel van 'n rozenkrans deed hem opschrikken uit z'n gepeins. De zuster kwam zeggen, dat meneer boven werd verwacht.

Hij volgde haar, waggelend als 'n beschonkene.

En toen hij de kamer binnen en vóór het bed getreden was, waarop, door 'n floers van niet te weerhouden tranen, hij de uitgemergelde gestalte van Thilde ontwaarde, wierp hij zich op z'n knieën voor de legerstede, begroef z'n gezicht in de dekens. Z'n lichaam schokte in krampachtig gesnik, hij beet z'n tanden in de onderlip tot bloedens toe om z'n verdriet, z'n schaamte, z'n wroeging niet uit te jammeren.

„Thilde, heveling, wat ben ik slecht geweest!" kreet hij versmoord.

Maar zacht streelend beroerden Thiides smalle, wasblanke vingers z'n donkere, verwarde haren.

„Arme Sieg, arme lieve jongen; dat we elkander zóó weer moeten zien" klaagde haar Huister-stem, met 'n wonderlijk teere, melodieuse trilling.

Doch hij weerde af.

„Beklaag me niet liefste. Ik heb je meelij niet verdiend. Maar o, als je zoudt willen vergeven, wat ik tegen je misdaan heb en ik nooit meer goed kan maken", snikte hij vertwijfeld.

„M'n jongen", zei ze enkel, „m'n lieve, lieve jongen".

Hij waagde het toen naar haar op te blikken en zag haar oogen vol innigheid en liefde, 'n Diepe ontroering greep hem.

Sluiten