Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Niets aardsch meer had haar blik. Het was, of hij schouwen mocht in 'n ziel, die reeds het stoffelijke onttogen was en geraakt werd door de stralen van het Eeuwige Licht. En terwijl hij de extatische verheerlijking van het stervende gelaat der engelreine aanzag, drong zich plots als 'n vreemde verschrikking voor z'n geestesoog de daemonische, zinnelijk lokkende schoonheid van 'n ander vrouwe-gelaat met geblankette wangen en onnatuurlijk-groote, schitterende pupillen. Hij huiverde tot in 't diepst van z'n wezen. En hij boog zich naar Thilde over, haar klamme hand tegen z'n kloppend hart gedrukt als zocht hij bij haar, de doodelijk-zwakke, hulp en bescherming.

„Thilde, dat ik terug gekeerd ben op de goeie weg, ik heb 't aan jouw bidden te danken, dat weet ik zeker. Maar er is nog iemand, die je gebed zoo noodig heeft, liefste".

„Heb je haar hef, Sieg?" vroeg ze nauw hoorbaar.

„Ze was m'n vrouw. Thilde".

Even was er 'n zwijgen. Toen zei hij:

„Nu, nu het te laat is, weet ik, dat jij de eenige ben, die ik waarachtig liefheb Al het andere is 'n afschuwelijke waan geweest, die 'n ontzettende verantwoording op me heeft geladen".

„We zullen samen voor haar bidden, Sieg".

Z'n handen rustten in de hare, z'n oogen brandden op haar bleeke gezicht met het moordende koorts-blosje, hingen aan de zacht prevelende lippen, die hun laatste gebeden spraken. In benauwde verzuchtingen bad hij mee. En toen was het, of het chaotische toekomstduister van één week en de weg klaarde, dien hij te volgen had. Maar niet voerde hij hem, zooals 'n innerlijk verlangen hem soms had doen hopen, naar het witte

Sluiten