Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Junghuhn was uit Malang gekomen; te voren had men een pad langs een der zuidelijke ribben van den berg open gekapt en om half drie in den namiddag was hij op den kraterrand aangekomen. Zooals gewoonlijk in den namiddag was alles in wolken gehuld; kort voor zonsondergang zonken echter de nevels weg en ontrolde zich voor zijn oogen een heerlijk panorama.

Wat een sublieme voldoening moet dat voor hem geweest zijn, om, als eerste, zulke bergtoppen te bereiken; wel te verstaan als eerste beschrijvende natuuronderzoeker, want hij schrijft, dat hij letters op de rotsblokken vond geschreven, die getuigden van vroegere bezoekers (afgezien van de kluizenaars uit lang vervlogen eeuwen). Van die vroegere bezoekers is echter geen bericht overgebleven.

Dat zoo iets ook thans nog bijna kan gebeuren, leert het geval van de eerste bestijging van den op een na hoogsten van Indië's vulkanen, den Rindjani op Lombok.

Tot voor kort nog onbestegen, meende de Duitsche natuuronderzoeker Elbert de eerste bestijging te zullen uitvoeren, toen hij minder aangenaam verrast werd door de mededeeling dat een Bataviaasche doctor juris, een jaar te voren, er in geslaagd was om den berg te beklimmen.

Ook den Piek van Bali had die laatste, als eerste, onder den knie gekregen, maar eenig openbaar bericht daarvan had hij niet gegeven.

Dat was werkelijk minder dan bescheidenheid.

Junghuhn zag op den Ardjoeno ook de eigenaardige grot, die midden tusschen de blokken zich bevindt.

't Is een zonderlinge woonplaats; beneden heeft zij een nauwe opening, te klein bijna voor een mensch en boven een gat in het gewelf.

Heeft in haar een heilige man gehuisd?

Drie tempaja's, half in den bodem gelaten, hebben vermoedelijk zijn drinkwater bewaard.

Overvloedig zal het in de Oostmoesson-maanden wel niet geweest zijn, want dan is de regenval niet groot op die hooge bergtoppen.

Zollinger, die den 13den September 1845, dus nog geen jaar na Junghuhn, den berg beklom, schreef in het Tijdschrift voor Ned. Indië (8ste Jaargang, Dl. I): „dat de Javanen zeggen dat de berg zoo wit is, omdat het

Sluiten