Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en naar binnen zal vallen met een donderenden slag, die door geen menschelijk oor zal worden vernomen. Moge dit laatste zoo zijn!

„Want ware het anders, mochten menschen er getuige van wezen, zoo zouden het de inlanders zijn, die om brood te verdienen in den krater afdalen arme zwavelhalers!"

Nog hangt die wand zoo over, menig brok zal er echter sindsdien van af gevallen zijn en de solfataren hebben veranderd. Maar thans helt, nog meer onheilzwanger, de tegenoverstaande wand over en bedreigt de solfataren aan zijn voet. Groote scheuren voorspellen den val van enorme rotsblokken.

Felle zonneschijn deed de westelijke kraterwanden in verblindend witte en geele tinten schitteren; bruin en grijs rezen ze op in den schaduwkant. Met scherpe karteling liep de schaduw van den oostrand over wanden en bodem. Loopende over die gladde zandvlakte met niets dan die fel en grillig verlichte rotswanden om mij heen, met hoog tegen de donkerblauwe lucht de met steenen bedekte toppen, omringd door een bajerd van rotsblokken, waaruit sissend rookwolken werden uitgestooten, was alle Verband met de tropische plantenwereld uit mij weggevaagd en was er maar weinig noodig om mij in te beelden in een maankrater te loopen.

Maar weldra kwamen helderwitte wolken op den kraterrand de illusie verstoren; ze vielen eerst neer in den kraterput en losten op, als vielen ze in hun verderf, doch na niet langen tijd dreven ze langs de wanden en onttrokken die al meer en meer aan mijn blikken, toen ik weer naar boven was geklommen.

Door de nevels daalde ik daarna den berg af, meenemende kostelijke herinnering aan de pracht van doode steenwoestenij, kostelijk juist voor hem, die leven moet te midden van het groen van den eeuwigen zomer.

April 1914.

Sluiten