Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Onvergetelijk bleef hun die nacht, zoo schrijft Junghuhn.

Als op armslengte rijst dreigend de cyclopische stapel van woeste, grillig hoekige rotsblokken, tusschen welke door, aan alle kanten, rookwolken zich een weg naar buiten banen. Achter hem schiet steil de kraterwal op, die uit talrijke punten heftig rookt en verderop sissen solfataren wier scherpe dampen van tijd tot tijd neuzen en kelen prikkelen.

Maar de nacht gaat ongestoord voorbij en den volgenden morgen dringt hij verder westwaarts tusschen kraterwal en blokkenkegel door, maar de dikke rookwolken benemen hem alle uitzicht! Dus keert hij om en klimt naar het oostelijke uiteinde van den kraterwal, dat echter loodrecht afvalt, zoodat hij weer moet omkeeren en het beneden opnieuw beproeft. Nu komt hij, zij het ook over hoogst gevaarlijk, door zwaveldampen uitgevreten gesteente, waarin de voeten dreigen weg te zinken, op de groote helling en vindt er de sporen van zwavelwinners.

Over dat gedeelte van de helling, dat als bezaaid is met rotsblokken, komt hij in een vrij vlak terrein aan den oostelijken voet van den slakkenkegel, dat doorgroefd is door geulen, die zich vereenigen tot wijdere kloven en eindelijk te zamen komen in het Wara-ravijn, dat hier zijn oorsprong neemt. Pasar Boebar noemen de Javanen deze plaats.

Hij komt eindelijk aan den noordrand van deze inzinking, die niets anders is dan de bodem van een ouderen, veel ruimeren krater en moet dan omkeeren. Eerst om één uur 's middags bereikt hij, langs denzelfden weg teruggaande, de kampplaats en daalt vervolgens den berg af.

Enkele maanden later, op den 5den November, beklimt hij den berg van de Noordzijde, zooals thans gebruikelijk is, na te Seló, dat op het zadel tusschen Merapi en Merbaboe op ruim 1500 meter hoogte ligt, te hebben overnacht.

Gemakkelijk bereikt hij weer den rand van den Pasar Boebar, komt daar aan den voet van den blokkenkegel en bestaat nu het moedige stuk om over dien woesten bajert van losse steenen naar boven te klimmen. Maar daar ziet hij niet veel door de dampen, die van alle kanten uit de spleten opstijgen; enkel is een breede gleuf met zwakke centrale uitholling zichtbaar.

Hoestende door de prikkelende zwaveldampen keert hij om en gaat dan weer den weg naar de vroegere kampplaats tusschen kraterwal en kegel op.

Sluiten