Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

die deze merkwaardigste aller Javaansche vulkanen in de laatste anderhalve eeuw heeft doorgemaakt.

Terwijl bij zijn grimmige broeders in hun vuurhaarden de spanningen in stilte aangroeien, tot op een onverwacht oogenblik de dicht gestolde kraterpijp geopend wordt en een uitbarsting ontspanning geeft, schijnt de Merapi voortdurend toe te kunnen geven aan de persingen in de onder zijn fundamenten liggende lavalagen.

Ononderbroken stijgt het taaivloeibare, hevig gloeiende magma op en stolt tot blokken, die door die geleidelijke opduwing op den top tot een steeds hooger wordenden kegel zich opstapelen en dit vermogen te doen, omdat ze zich opwerpun in een ouden krater. Want niet immer heeft de berg zoo gelijkmatig aan die persingen uiting kunnen geven; hevige uitbarstingen hebben vroeger een krater gevormd.

Eerst een groote met een middellijn van 1540 meter, van welks wand nog de Paseban en de Poesoenglondon, met zijn steile binnenhelling, over is. Later is daarin een kleinere met een straal van 500 meter gevormd en dat is de krater, waarin Junghuhn nog kon overnachten op een der laatste stukjes van den bodem, die de zich uitbreidende slakkenhoop toen had overgelaten.

Sedert 1786 is de geschiedenis van den Merapi vrij wel bekend; 't is een verhaal vol van geweld en verderf.

De eerste betrouwbare berichten zijn van v. Boekhold, die in dat jaar, kort.na een uitbarsting, den berg tweemaal besteeg. Toen waren de hellingen nog met wouden bedekt, maar boven op den top vond hij, voor de menschen in de vlakte verborgen, een dor woest eiland door een ringwal omgeven; daarop verhief zich de gloeiende slakkenkegel „als een hoop brandende steenkool".

Een halve eeuw moest er verloopen voor dat weer een man, gedreven door wetenschappelijke belangstelling, den vulkaan beklom en thans nauwkeurige berichten mee naar beneden bracht. Wel waren Pieter Mercus en Nahuijs in 1820 boven, maar hun beschrijving is (volgens Kapitein Lamster, aan wien ik deze geschiedkundige bijzonderheden ontleen 1) te vaag om er eenige topographische gegevens aan te ontleenen.

1) Jaarverslag van den Topographischen dienst, 1909.

Sluiten