Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hoe groot is niet het mannetje, dat daar over den kraterrand zwoegt, vergeleken bij de hoogte van den kegel van blokken, wier ontzaggelijke veelheid den teekenaar tot concessies aan hun afmetingen verleidde, 't Zal wel niet zeer getrouw het werkelijke aspect weergegeven hebben, maar toch, hoeveel warmer doet ons die gravure in dat ouderwetsche atlasje aan, dan de hedendaagsche platen, die ons de werkelijkheid in fotographische getrouwheid weergeven.

Curieus, dat die volmaking in de beeldweergave een uitwerking heeft (juist tegenovergesteld aan wat men er naar menscheiijke berekening van zou verwachten. Is het soms, omdat die oude teekening voor den lezer, die toch niet mee is geweest met den bestijger, ruimte voor zijn eigen verbeeldingskracht laat en het hem ten slotte liever is om vrij te wezen in zijn door het reisverhaal opgewekte fantasie, dan gedwongen te worden in het keurslijf der z. g. n. natuurgetrouwe foto, die eigenlijk ook maar een verstard, kleurloos moment uit de levende, bij iedere schrede wisselende werkelijkheid is. Ja, wie met een gekleurde kinematographische opneming aankomt, die geeft al wat men kan wenschen, maar dergelijke illustraties worden voorloopig nog niet bij een reisboek geleverd.

Toch zou het mogelijk zijn, als men van die kino-boekjes gebruikte die men snel moet afbladeren; ik vrees echter, dat een reiswerk met al die snelboekjes er bij tot een kleine bibliotheek zou uitdijen.

Maar keeren wij terug tot onzen woestaard, die, ondanks een voortdurende afwerping van gloeiende steenen, genoeg krachten weet te vergaren om in de volgende decade twee maal met groote hevigheid uit te barsten.

Eerst in 1846. Zware bandjirs door de ravijnen van den Wara, Gendoel en Blonkeng zijn het gevolg.

Daarna in 1849, en honderd duizenden koffieboomen vallen aan den aschregen ten slachtoffer. In Magelang ligt de asch drie kwart palm dik.

Twaalf jaar later gebeurt er iets merkwaardigs: de Merapi braakt zijn prop uit en een zekere Wilson vindt tot zijn verbazing in 1861 een leeg kratergat van 400 meter breed en minstens 250 meter diep. Zou de kolenmijt in de gloeiende diepte van de kraterpijp weggezonken zijn en de krater zich boven haar, met van de wanden afgevallen puin gevuld hebben, of

Sluiten