Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zaaiden, grillig doorgroefden vlakken kom van den Pasar Boebar tegen den grimmigen blokkenkegel op.

Maar wij gaan verder over dien Pasar Boebar, d. i. de afgeloopen markt (dat zal een infernale marktdag geweest zijn!) en komen tot dicht bij den voet van den kegel, gaande langs geweldige rotsblokken, die ons schijnen toe te wenken een: „ga niet verder, ga niet verder".

Wel komt het ons voor, dat sinds lang geen lawines meer naar Deneden zijn gekomen, maar zóó dreigend zien we temidden van dien steil oploopenden chaos van grillige, kantige steenblokken sommige uitsteken, half overhellend en als gereed om binnen enkele ougenblikken te vallen, dat wij geen redenen kunnen vinden, die genoeg klemmen om nog verder te gaan en te trachten den scherpen rotstand van den Mesdjidan te bereiken of tenminste het kale stuk helling, dat den voet uitmaakt van de geul, die het nieuwe van het oude deel van den kegel scheidt.

Te meer niet, omdat ik vermoed, dat ik daar met mijn meetinstrument weinig meer zal kunnen opnemen, zooals ik van Seló uit had kunnen opmaken. De nieuwe prop rijst regelmatig onmiddellijk van den voet van den Mesdjidan op, wat ook van den Paseban uit gemeten kan worden.

Teruggekeerd, wordt dus daar de theodoliet op zijn driepoot gezet en op verschillende punten ingesteld. Gevonden wordt al dadelijk, dat de Mesdjidan 6.7 meter lager is geworden, sinds de opnemer Van Hout in 1909 zijn hoogte meette, wat wel aan afbrokkeling moet toegeschreven worden.

Daarna wordt met het instrument langs den ouden kraterrand naar den Poesoenglondon gestegen en verder langs een kam afwaarts tot een punt bereikt wordt, waar ik in de peillooze diepten van het WaTaravijn kijk. Ik meen den Koekoesan, waar ik een maand geleden naar het vuurwerk op de zuidhelling stond te kijken, te herkennen, maar de situatie blijft twijfelachtig; een detailkaart van den Merapi ontbreekt helaas nog.

Een beter uitzichtspunt om de Zuidhelling te bekijken, kan ik niet vinden zonder een geheelen afdalingstocht, waarvoor mij de $i]d ontbreekt, daar nog zonswaarnemingen moeten gedaan worden en ik niet al te veel mag rekenen op de goedgunstigheid van den god der wolken, die inderdaad al buitengewoon lang dezen, anders zoo nevelrijken top vrij voor mij houdt.

Hoe betreur ik het thans, toenmaals op dien Koekoesan, geen hoek-

Sluiten