Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

KAWAH-IDJEN.

ET is een fataal iets, dat zoo vaak zij, die iets bezitten, het niet weten te waardeeren en dat het voor hen verloren gaat juist op het oogenblik als hun gevoel zich eindelijk zoo veel verdiept heeft en hun gemoed aan ontvankelijkheid heeft gewonnen, dat zij rijp voor waardeering zijn geworden.

Een treffend voorbeeld geeft de Jayaansche bergnatuur vol vulkanische wonderen, rookende afgronden, kokende bronnen, dampende sulphurgaten en stille meren, droomende tusschen woeste kraterwanden; want toen dat alles nog bijna onbezocht lag en de bezoeker de bekoring van een ongerepte natuur volop zou hebben kunnen genieten, toen werd zij juist uiterst zeldzaam bezocht. En nu die bergwereld ontsloten is en tal van toeristen haar doorkruisen en volop de geheele gamma harer stemmingen, van het liefelijke tot het meest schrikwekkende, weten te doorvoelen, nu is met groote snelheid de geheimzinnigheid van het nieuw ontdekte, de bekoring van het ongerepte, verdwenen.

Wanneer men vol illusie van den Moenggal-pas zigzag naar de Zandzee afdaalt, wordt de eerste sensatie van het betreden dier wijde vlakte van den Dasar bedorven door den aanblik van een groot leelijk bord, waarop staat: „Sandsea zoo en zooveel meter boven A. P." Gelukkig dat, men dan nog wat lachen kan over de onbenulligheid om die mededeeling daar te plaatsen, want zelfs de stomste toerist zal zeker wel begrijpen, dat hij daar in de Zandzee staat en niet b. v. in het Bromobosch, vooral omdat hij de Zandzee al uit n -f- 1 prentbriefkaarten kent.

Allerminst een indruk van „vrije" natuur krijgt de Bromobezoeker als hij den kraterwal wil opstijgen!

Ik herinner mij uit het jaar 1903 nog de ladder; dat was dan óók wel mensen en werk, maar, enfin, 't was een echte Indische ladder tegen een

Sluiten