Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ontdekt, dat de zwavelbanken daar aan den Oostoever veel machtiger waren dan men dacht en dat feit juist deed mijn plannen falen; want een paar dagen vóór. mijn komst was door de Regeering de particuliere, eigenlijk onwettig toegestane zwavelwihning, plotseling stop gezet. Toch was er nog één prauwtje overgebleven met een tweetal zwavelwinners. Maar toen ik in het ranke ding zat, bleek het te lekken en was het raadzaam niet te ver het meer óp te gaan, want, schipbreuk lijden midden op die zure zee, zou den dood beteekénen. Het liep tegen den nacht en na een vaart kort van duur, maar niet zonder sensatie, ging ik naar den pondok, plannen smedende om het lek te stoppen.

Maar den volgenden dag wierp de wild geworden Oostmoesson, die over het meer gierde en door de rotspoort bij de sluis zich in de kloof van de Banjoepait stortte, de prauw zoo onbarmhartig tegen de scherpe oeverranden, dat zij geheel wrak werd.

Mij liet echter het raadsel van het meer niet los!

Tot hóe diep zinken de loodrecht in het water afstortende wanden onder den spiegel van het ondoorzichtige groenblauwe water; hoe komt het water zoo warm en zoo zuur; is het de bodem, die heet is, of zijn het warme bronnen; waér liggen ze dan verscholen? Spelen soms de solfataren een rol daarbij, en straalt de hooge temperatuur en het zure gehalte van dien hoek uit of van het waarschijnlijk zeer diepe middelpunt van de kom? En hoe is dan wel de verdeeling der temperatuur in zulk een meer, dat door de koele berglucht, strijkend over zijn oppervlakte en het koude regenwater, steeds weer van boven wordt afgekoeld?

Dat waren vragen, welker oplossing mij geen rust liet, al waren zij ook nog zoo ver buiten de sfeer der belangen van het dagelijksche leven; vooral in dit tijdsgewricht, dat in ademlooze spanning wacht op de oplossing van het bloedige wereldgebeuren. Misschien is het juist wel de afkeer voor dezen allernoodlottigsten broedermoord, die machtelooze toeschouwers drijft tot het zich verdiepen in de natuurraadselen, die verre staan buiten alles wat van de menschen is.

En toch — is ook deze wereldramp, niet als de uitbarsting van een vulkaan, die geheele wouden van zijn flanken wegvaagt? Ook dan is er geen onderscheid meer tusschen het jonge loot en den ouden stam, tusschen zwak

Sluiten