Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

op de regels der kansrekening moet ieder koesteren, die bergen en vooral vulkanen bestijgt; en hij, die dat mist, blijve beter thuis bij moeders pappot.

Opvallend is ook het onderscheid in kleur der verschillende deelen van de omlijsting van het meer! Zoo is de rotsmassa, die zich zuidelijk van de sluis verheft en waarin het pad uitgehouwen is, van een grijsblauwe tint en daarnaast een hemelwaarts steigerende wand van donkerroode kleur.

Verder Oostwaarts staat een gele muur, die boven geweldige bastions draagt, als hadden cyclopen daar een bergvesting gebouwd.

Opvallenderwijze herhaalt zich die opvolging van roode en gele wanden aan den noordwal, als ware noord- en zuidwand vroeger één geweest en dus van ouderen oorsprong dan de krater.

Een mooi probleem voor den geoloog!

Wij dreven dan bij den noordwal langs en begunstigd door den lagen waterstand, die bijna vier meter onder de sluis was, konden we op eenige plaatsen aan den voet der rotswanden landen en in holen kruipen, die door het water in de rots waren uitgevreten, natuurlijk ook interessante photo's nemen en, last not least, met den sextant de hoeken tusschen verschillende punten van den oever meten, wat noodig was voor de plaatsbepaling bij de loodingen op het meer.

Wij werkten zoo verder langs den oostoever en kwamen eindelijk bij de solfataren, wier heete adem ontzag inboezemde, vooral toen zij ons met een windvlaag een bouffée toezonden, die meer een aanslag op de keel dan op den neus bleek te zijn. Wij zorgden daarom boven den wind te blijven en landden zoo dicht mogelijk westelijk van de rookende zwavelrots.

We vonden daar een warm bronnetje, dat met een temperatuur van meer dan 70° C. uit den grond opwelt, maar dat geenszins de warmte van het meerwater kan onderhouden, evenmin als de solfataren zelf, omdat het water reeds op geringen afstand geen bizondere temperatuurverhooging vertoonde. Trouwens, wij hadden al gevonden, dat de warmtehaard in het diep van het meer scheen te zetelen.

De gele zwaveldraak lag nu, vlak bij ons, zijn pestilenten adem uit te blazen met hoorbaar geruisch. Wij ontwaarden hoe de zwavel aan zijn neusgaten zich tot hooge grillige randen opbouwde en wanneer een wind-

Sluiten