Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de thermometer uit 222 meter diepte met het bericht van een temperatuur van 96° C. boven; dicht bij wordt bij een volgende looding 50° gemeld en moed vattende, wordt het opgelapte instrument naar het front gebracht. Hadden wij maar een koperen kabeltje, zoo zouden wij het daaraan hangen; nu moeten wij op het taliedoek vertrouwen.

Tweemaal brengt de invalide het er goed af, maar de derde maal wordt hij door het noodlot achterhaald! Diep daalt het lood eerst; 250 meter wordt bereikt en daarna weer die omineuze lichtheid, voorbode van ongeluk.

Niets komt boven dan een allergruwelijkst zuurstinkend touweinde; ook het taliedoek was vergaan door het zuur en kon met twee pinken doorgebroken worden.

Maar nu was ook het geheim ontsluierd!

Op den bodem van den diepen kratertrechter schuilde een heete bron van nagenoeg geconcentreerd zuur. Dat moest de bron zijn, die het meerwater zoo warm en zuur maakte; een bron als misschien nergens op aarde een tweede te vinden is.

Getroost togen wij dien avond huiswaarts en toen wij langs het steile pad naar boven geklommen waren, sloegen wij van den hoogen rand een laatsten blik op de kraterkolk, het graf onzer beide instrumenten, die weldra niet tot asch maar tot kopersulfaat vergaan zouden zijn. En het groote blauwe oog van het meer keek mij, die had durven gewagen van een ongerepte natuur en niettemin den sluier der geheimzinnigheid op had durven lichten, verwijtend aan.

Gezwegen heb ik toen maar, want het is moeilijk om met een meer in discussie te treden; bovendien, geheel schuldeloos voelde ik mij niet.

Maar toen ik in den laten avond naar den flonkerenden sterrenhemel zat te staren, zongen zacht in den zwakken nachtwind de honderdjarige tjemaraboomen van hun lang leven en van de vreeselijke dagen, toen de schuldige krater in woedende razernij het gansche woud hunner voorvaderen had vernield en die nu zoo stille waterkom een helleketel was van kokend opspuitend water, dat rook en vlammen uitbraakte.

Ook over de toekomst vingen zij aan te zingen; maar toen verflauwde de wind en hun zang stierf uit in een onverstaanbaar zacht ruischen.

Sluiten