Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

goed als zij in den oer-ouden gedachtenkring bewoog. Wel trachtte ik mijzelf wijs te maken zulks in zelfbewuste verbeelding te doen, maar bij eenig doordenken smolt die zelfbewustheid tegenover de raadselen der albezieling weg als een sneeuwpop in de zonnestralen.

Weldra echter had de glibberigheid der hellende rotsvlakken en de wankelbaarheid der, lavablokken het noodig gemaakt om de voortzetting dier wijsgeerige speculaties te staken en terdege op mijn voetstappen te letten; want een uitglijden op dien steilen kegel was al even gevaarlijk als een misstap op de verraderlijke paden der theologie. Toch is de kale kegel van den Slamat gemakkelijker dan zijn broeders op Java, de Semeroekegel en de Raoengkegel. De laatste is de minst steile. De Semeroekegel is geweldig; op zandstroomen kan men als het ware hem afglijden; dan raken de. steenen los en rennen met wilde sprongen, toomeloos vooruit.

Op den Raoengmantel loopt men als op schuin staande, gladde platen, moet men eindelijk over muurkammen heen balanceeren en bereikt ten laatste een kraterrand, die woest uitgetand is en als met verstarde rotsklauwen gekromd is over de peillooze afgronden van den reuzenkrater.

De Slamatkegel is kalmer van natuur, met weinig diepe ravijnen en vrij gelijkelijk'met lavapuin en lapilli bedekt, zoodat de bestijging gemakkelijk is.

Langs de ribbe, die men pleegt te beklimmen, leveren de kegels geen van drieën werkelijke moeilijkheden op en het is alweer de tegenstelling, om, na het klimmen door bosch en grasvlakte, eindelijk over rots en puin te moeten klauteren, die de beklimming dier kegels tot gedenkwaardige episoden maakt

De klimmer laat de plantengroei spoedig achter zich; die schijnt onmerkbaar langzaam opwaarts te kruipen. Kleine struiken ziet hij, als voorklimmers, vooraan gekomen, en, hooger gekomen, haalt hij de allervoorsten in en eindelijk is er geen enkele meer te bespeuren. Maar dat is bedriegelijkö schijn, want de boschgrens kan zich slechts weinig opwaarts hebben bewogen, ondanks dat Junghuhn van een veel grootere hoogte van den naakten kegel spreekt.

De beschrijver van den tocht eeniger topografen in het jaar 1910 roert die kwestie aan en wijst er op, dat Junghuhn de hoogte van den kegel

Sluiten