Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

maanlicht zoo sterk schijnen, dat het mij, ondanks de koestering der warme dekens, naar buiten lokte.

De overgang van de donkerheid der hut in het helle maanlicht was overweldigend. De lage wolken waren verdwenen, enkel witte bandwolken zweefden als lange, glanzende veeren in het zwarte zwerk, in welks hoogsten top de volle maan stond, zoo hel als een zon. Maar een zon uit een andere wereld, die een stortbad van lichtstralen uitwierp over hemel en aarde.

Heel de kustvlakte, tien duizend voeten onder mij, werd overgoten met een magisch licht en de witte wolken, die zich, als op een nachtleger, hadden neergevleid, lagen daar gelijk slapende engelen.

In de eindelooze verte, boven de zee, ging alles in een mat-glanzende nevel over, waaruit grillige wolkentorens hemelhoog oprezen; reuzengestalten in blinkend witte gewaden gehuld, die daar zwijgend stonden te waken over het in diepen slaap verzonken eiland.

In de roerlooze stilte van den nacht was het, als werd de lichtuitstorting der maan hoorbaar, maar met dat geheimzinnige geluid, dat enkel het ziele-oor vermag te hooren, evenals de harmonie der sfeeren, wier wonder-teer tonenspel door Pythagoras werd beluisterd en dat nog door Keppler voor het laatst werd gehoord.

Het was moeilijk om zich uit de lichtboeien dier betooverende maanwereld los te maken en weer in het enge duister der hut te duiken; maar de gevoelige koude hielp mede en eveneens de overweging, dat lang vóór zonsopgang weer opgebroken moest worden, om boven op den hoogsten top de overwinning van Helios op de nu nog alleenheerschende Luna bij te wonen.

En, inderdaad, toen — een uur voordat de zon zou verrijzen — de steenhelling weer betreden was, en het in snellen klim opwaarts ging, was de maanschijf tot dicht bij de kim gedaald en de glanzende glorie van haar middernachtelijk licht getaand tot een zwak schijnsel, nauwelijks voldoende om den voet een veiligen weg tusschen de ribben en rotspunten te wijzen.

Weldra kwam echter het eerste morgenlicht mij te hulp en nog was ik niet heelemaal boven, toen reeds het bleeke maangezicht achter de westerkim was weggezakt en het geelbruine rotsgesteente in het morgenrood gloeide. Nog een korten klim en samen met de eerste zonnestralen, die uit

Sluiten