Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

eindeloos ver naar Oost en West uitstrekkende en gedeeltelijk door een schitterend wolkenbed bedekt. Maar opwellende wolken sluiten de wijde horizonten af en als weldra het woud mij opneemt, is alle ruimte tot engheid ingekrompen. Het bosch is eerst nog ijl en de nevels nog vol zonnelicht; dan worden echter woud en wolken dichter. Bij iedere bocht van het pad word. het donkerder en stiller in het oerbosch. De zegevierende stemming van de geslaagde bestijging daalt; het is ook zoo droevig stil tusschen het eindelooze geboomte. Geen blad en geen tak .beweegt zich; roerloos staan de boomen, die ik, al voortschrijdende, voor mij uit den nevel zie opdoemen en achter mij weer wegwazen. De zware star-opstaande stammen omringen mij als een in raadselvol stilzwijgen verzonken menigte en ik voel mij als een vreemde indringer, als een, die in een voor hem onbegrijpelijke wereld is gekomen. Een wereld zeker vol van stille melancholie.

Langs het pad zie ik een groot blad, dat zonder zichtbare oorzaak, al-maar heen en weer staat te schudden, als een armzalig tobbend zieltje.

En uit de nevelwaden maken ze zich los, van achter de met druipende mosbaarden omhangen stammen komen zij mij tegemoet, de grijze zorgen-gestalten van het laagland, die mij niet hadden kunnen volgen daarboven in de woeste krater-regionen en die ik niet had ontwaard, toen ik samen met de stralende Luna op het van tooverlicht overgoten nachtlandschap neerkeek; noch in den klaren morgen, toen de fijnbelijnde Tjaremé uit het koude Westen en de slanke tweelingsbroeders, Soembing en Sindoro, uit het vurige Oosten mij hun groet toewierpen; een groet, die door luchtige, reine h'.ogten, zonder af te dalen naar de zorgenvolle laaglanden, recht op mij toe ijlde.

Maar de motregen gaat allengs over in slagregen, en alle stemmingen, wee-, wankel-, klein- en blijmoedige, vloeien weldra samen tot een volkomen kleurloos nattigheidsgevoel, en eerst, als ik tegen het vallen van den avond voor mijn tijdelijke woning naar den uit wegtrekkende wolken zich losmakenden berg zit te kijken en aan het scherpe silhouet van den kraterrand de plaatsen opzoek, waar ik dien morgen geweest ben, vervult mij weer de voldoening van de welgeslaagde bestijging.

April 1917.

Sluiten