Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

NAAR HET BERGSLOT DER GODIN RINDJANI.

AAT in den avond was de Siberg van Boeleleng, Bali's noordreede, vertrokken en nauw nog was de dageraad aangebroken, toen ik in mijn kooi oprees en een blik uit de patrijspoort wierp.

Door een tragen schroefslag voortbewogen, gleed het schip

stil door het gladde water, waaruit op schijnbaar korten afstand de donkere bergmassa's van Lombok oprezen, met de lichtjes van den wal aan hun voet en een scherpgesneden bovenrand tegen den bleeken morgenhemel. Daar echter, waar de zon zou verrijzen, keken hoogere toppen over den bergrand heen, die grauw getint waren door den grooteren afstand, en boven alle uit stak de grillig gekartelde dubbelspits van den Rindjani. Maar wolken, donker tegen den zich kleurenden hemel en grijs tegen de donkere bergfiguren, kwamen uit het Oosten aandrijven, groeiden aan, hechtten zich aan de toppen vast, omhulden hen weldra en toen eindelijk de zon opkwam en op Ampenan's reede het anker viel, verried niets meer het hooggebergte van den Rindjani, wiens top in den vroegen morgen mij had toegewenkt. Zou ik dien top bereiken?

Gegroeid in mij was allengs het verlangen om dien geweldigen vulkaan te beklimmen, gevoed door het lezen der beschrijvingen van de weinige bestijgingen die geslaagd waren en die wel spraken van moeilijkheden, maar meer nog van onovertroffen bergtafreelen en schitterende vergezichten, van een geheimzinnig meer in een grooten bergketel uit welks diepten een rookende aschkegel was opgerezen.

En eindelijk was dan de dag aangebroken, dat aan dit verlangen toegegeven mocht worden en ik aan Lombok's wal stapte met het vaste voornemen om den Rindjani-top te bereiken en zijn wondervolle omgeving te bezoeken.

Sluiten