Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Aan vaste voornemens plegen echter in dit ondermaansche hinderpalen in den weg gelegd te worden; dat is een bekend iets en zoo verwonderde het mij geenszins, dat ze dadelijk voor mijn voeten oprezen, niettegenstaande het aan voorbereiding niet ontbroken had.

Eerst kostte het moeite om de barang naar Matawm vervoerd te krijgen; daarna kwam de opwekkende mededeeling, dat bezwaarlijk koelies gevonden zouden worden, want dat alles in de komende dagen naar Midden Lombok zou stroomen, waar, voor het eerst sinds den oorlog van 1894, weer groote paardenrennen zouden gehouden worden. De hoofden der bergdessa's, op wier hulp ik zou moeten steunen, zouden daarom niet thuis zijn en het ware beter, mijn tocht een week uit te stellen — helaas, een onmogelijk voorstel voor iemand, die maar twee weken vacantie had.

Auto of karretjes voor den tocht dwars over het eiland, waarmee begonnen zou worden, werden op Mataram te vergeefs gezocht en besloten moest worden om met een nieuwe vrachtauto, die echter niet verder dan tot dat omineuze midden van Lombok zou rijden, mee te gaan.

De geheele bagage, die ondertusschen met een groot aantal leege petroleumblikken was vermeerderd, mijn metgezel (de militaire opnemer sergeantmajoor Clements) en schrijver dezes zaten eindelijk tegen het middaguur, na oneindige soesah in de vrachtauto, welker bevattingsvermogen een raadselachtige rekbaarheid bleek te hebben, zoodat nog een 'twintigtal Balineezen en Sassakkers plaats vonden; maar toen wij wegreden ontbrak er een gewichtig lid aan het reisgezelschap, n.1. de nog steeds naar karretjes zoekende bediende, die nog wel als tolk in de bergdessa's zou optreden.

Toen de auto niet verder meer ging, reden we door in onzinnig volgeladen karretjes, met moeite gevonden, en kwamen na eenigen tijd den controleur van Oost-Lombok, die met vaart race-waarts tufte, tegen. We stapten beiden uit en hadden een kort onderhoud, waarin hij krachtig de weinig hoopvolle verwachting uitsprak, dat ik den top wel niet bereiken zou, want dat de laatste honderd meter zeker onoverkomelijk zouden blijken.

Een mooie brief van hem aan het bergdessahoofd gericht, in krullig Sassaksch schrift, had ik al uit de handen van een dorpsautoriteit onderweg in ontvangst genomen; maar, mochten wij toch moeilijkheden ondervinden (wat ik inderdaad verwachtte) dan moesten wij ons maar tot zijn schrijver

Sluiten