Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

loensche paarden vrij rond liepen en waar enkel in diepe ravijntjes een weeldrige plantengroei was; dat ter linker zijde in zachte helling naar den met tjemara's overdekten mantel van den grooten kegel opliep en ter rechter zijde geleidelijk afdaalde naar de strandwouden.

Keken wij om, dan zagen wij de groene sawah's van Sembaloen, omringd door het randgebergte met den breeden Prigi, den spitsen Anakdarë en den boven alle verheven Nangi.

Voor ons uit had zich de hooge rug, de Plawangan, die zich van den grooten kegel afsplitst, al in wolken gehuld, en zoo konden wij het eindpunt van onzen dagmarsch niet zien en geen gezicht op de nog te bestijgen hellingen verkrijgen.

Dat het slotgedeelte der wandeling een geduchte klim zou zijn, wisten we, maar of we nog vóór het vallen van den nacht dat 2700 meter hooge eindpunt, dat 1500 meter boven de Sembaloen vlakte ligt, zouden bereiken, daarvan waren we allerminst zeker. En toen de zon snel aan het dalen ging en wij nog sneller aan het stijgen waren en de koelies om den haverklap rust gingen nemen, zoodat zij eerst met bemoedigende (maar voor hen onverstaanbare, want geen Sassaksche) woorden en daarna met geweldig toornende (en dus wél verstaanbare, want voor ieder duidelijke) woorden tot voortgaan moesten opgejaagd worden, toen begon ons vertrouwen in dat kampeeren boven op den rug te dalen en overwogen wij reeds een bivouac ergens op de helling.

Maar ziet een tooverwoord werd gevonden, dat de koelies met spoed naar boven dreef; het was eenvoudig de naam van den rug waarop wij juist wilden komen, den Plawangan. De arme kerels hadden gemeend heel nog door naar het meer te moeten gaan en vonden daarin terecht volstrekt geen genoegen, zoodat ze door treuzelen dat vermeende plan wilden verijdelen.

Nu echter was er verder een roerende overeenstemming in doeleinde en fluks ging het de steile hellingen opwaarts onder het allengs ijler wordende tjemara-hout,

Weldra lieten wij de laatste Casuarinen achter ons en kwamen wij op de met gras bedekte hoogste deelen van den opwaarts strevenden bergkam.

Maar één deel van den trein bleef pruttelen, waarvan echter niet dan lachend notitie werd genomen, omdat het een levenloos deel was.

Sluiten