Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zooals ik reeds verhaalde, hadden wij uit Ampenan een groot aantal dicht gesoldeerde petroleumblikken meegenomen en een der koelies droeg aan zijn pikolan dien wel lichten maar volumineuzen last. Die blikken nu begonnen, evenals bergzieke menschen, onaangename gevolgen te ondervinden van de toenemende luchtverdunning en in hun benauwdheid trachtten ze de deuken, die ieder rechtgeaard petroleumblik bezit, uit te duwen. Dat lukte van tijd tot tijd met een knor of een knal, die een duidelijk protesteerenden indruk op ons maakte, en ons zelfs een paar maal des nachts uit den slaap deed opschrikken.

Nog juist bij het vallen van den nacht had mijn metgezel een geschikte kampplaats in een boschje onder den hoogsten rug gevonden en in allerijl de barang uitgepakt en de tent opgeslagen, vóór dat het daglicht geheel verdwenen zou zijn.

Zelf had ik mij, wei egoïstisch, overgegeven aan den rondblik, die van het hoogste punt te genieten was. De wolken toch waren, terwijl wij opklommen, al meer en meer opgelost; de vulkaankegel was vrijgekomen en ook uit den reuzenketel, waarin het meer lag, waren de nevelen op getrokken, zoodat, toen ik eindelijk boven op onzen Plawangan kwam, ik den eersten blik op het meer kon slaan.

Eindelijk dan schilderde de werkelijkheid het levende beeld op het doek mijner verbeelding, waarop beschrijvingen en afbeeldingen in de laatste weken getracht hadden die merkwaardige bergtaf ereelen te penseelen en dadelijk verdwenen hun vage trekken onder haar krachtige vegen. En in de komende dagen zou met de wisselende verlichtingen van den vroegen morgen en den vallenden avond, van zonlicht" en maanlicht, haar palet mede veranderen en een reeks van beelden schenken, die ik in de galerij mijner herinneringen zou kunnen ophangen tusschen de schoonste doeken der reeds zoo rijke verzameling.

Als uit onuitputtelijke overdaad scheppend, werd mij dadelijk een tafereel voorgetooverd, vol van innige, mysterieuze schoonheid.

Heel diep onder mij klom naar het kratermeer op den bodem van een dal, doorsneden van het witte lint eener bergbeek en aan de overzijde met steile wanden weer oprijzend tot een geweldigen berg.

Tusschen hooge wallen lag de zwartblauwe spiegel van het meer,

Sluiten