Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

daad bewees den weg te kennen) kwamen voor en menigmaal moesten treden voor den voet met zijn punt uitgestoken worden.

Mijn metgezel, omlaag getrokken door de vracht van eenige blikjes en een veldflesch, die hij in vergoeding van de talrijke jaren, welke hij jonger was dan ik, torste en die bovendien nog nimmer zulk een vulkanische wandeling had gemaakt, zoodat hij nog niet vertrouwd was met dergelijke verraderlijke puinhellingen. bleef langzamerhand achter en zoo klom ik alleen voort.

Gestadig opwaarts ging het ondanks de toenemende moeilijkheden, want ernstig waren die nog geenszins te noemen. Wel werd de helling steiler en het gruis losser, maar de stok deed zijn plicht.

Lastig was de afwisseling van verschillende soorten materiaal, dat de graat bedekte.

Ter nauwernood had ik mij vertrouwd gemaakt met het stijgen tegen een hellend veld van losliggende steenen of nieuwe ervaring moest opgedaan worden in het klouteren tegen een glijbaan van fijn gruis, waarbij het zaak was er voor te zorgen, dat men tegen drie passen opwaarts niet meer dan twee weer teruggleed; terwijl dadelijk daarop steenbanken kwamen, die verraderlijk onder den voet afbrokkelden.

Een voortdurende stroom van losgeraakt puin, rolde langs den grooten vulkaanmantel naar beneden, als een nuttiglijk afschrikwekkend voorbeeld en aanmaning om de voorzichtigheid geen oogenblik uit het oog te verliezen.

Zeven lange kwartieren had deze merkwaardige graat-wandeling geduurd, toen ik eindelijk aan den voet stond van een der rotsen,,die als kanteelen den kraterrand bekronen.

Vol gretig verlangen om een blik in den krater te kunnen werpèn, klouterde ik op het rotsgevaarte en stond plotseling aan den rand van een geweldigen afgrond. Letterlijk verticaal, met enkele torenrotsen, viel de wand vijf honderd meter diep naar den kraterbodem af, die roodbruin was met witte waterloopen en rookende solfataren aan zijn rand. Ook de tegenover mij opstijgende wanden, waren woest steil, maar minder hoog dan die op welks rand ik stond. Toch was het kanteel, waarop ik mij bevond, niet het hoogsté punt van den kraterrand; meer zuidwaarts zag ik het eindpuntje van een scherpe graat uitsteken en het bereiken van dat toppunt zou dan zeker de groote moeilijkheden moeten bieden, waarvan men mij verhaald had.

Sluiten