Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

beklimmen. Inderdaad voerde hij deze bestijging, die echter minder moeilijkheid dan die van den Rindjani bood, eenige dagen later uit.

Terwijl ik nog door het overweldigende rondzicht als geboeid bleef, zag ik mijn metgezel aankomen, die aangetrokken door mijn aanwezigheid op het eindpunt der nok van het Rindjani-dak, zonder blikken noch blozen op mij toeliep en weldra zaten wij broederlijk naast elkaar met onze beenen afhangend op de — laat ik maar zeggen — vijfduizendvoetsch helling en werd er gephotographeerd, met den slingerthermometer waargenomen, werden bergen met het kompas aangepeild, opmerkingen aangeteekend en wat gegeten en gedronken.

Zoo lekker warm was het in het zonnetje en het zachte Oostenwindje, dat ik mijn jas uittrok, waarbij echter bijna mijn zakmes naar het meer en mijn koffersleutel naar den krater rolde, welke ramp nog juist ter rechter tijd gekeerd kon worden.

Als grappige illustratie van de kleinheid van het topje diene, dat, toen de Hr. Clements zich bij mij had gevoegd, hij mij na eenige oogenblikken zeide: „zoudt u niet eens van den top af willen gaan, ik zou graag ook eens op het allerhoogste punt willen gestaan hebben." Waarop ik antwoordde: Kmet genoegen, maar hoe moeten wij elkaar hier passeeren ?''

Met eenige moeite lukte dat echter en toen hij mijn plaats had ingenomen, liep ik over het smalle weggetje, om hem, van eenigen afstand, in zijn triomphantelijken stand photographisch te vereeuwigen en daarna bewees hij mij den zelfden dienst, waardoor wij de ongeloovige menschen beneden, die ons verteld hadden zelfs te betwijfelen of wel ooit iemand op dat topje was gekomen,'hoopten te overtuigen.

Wat onze voorgangers betrof, zoo hadden wij zelf geen oogenblik getwijfeld en bovendien vond ik een omvergewaaiden dunnen stok, blijkbaar door den zeeofficier Kayser op de spits geplant.

Wat richtten dien stok opnieuw op en plaatsten aan zijn voet tusschen eenige steenen een leeg blikje, waarin we èen papier borgen met onze namen, den datum en de korte maar veelzeggende opmerking: „prachtweer".

De wolken echter — het was ondertusschen half tien geworden — begonnen toen, diep onder ons, tegen de hellingen op te kruipen en maanden ons tot afdalen.

Sluiten