Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Mist dreef nog over de wijde watervlakte heen, maar hier en daar zag ik toch donkere wanden opstijgen; verdwenen ze weer in de nevels, dan was het alsof ik aan den oever der zee stond; openden ze zich echter, dan dan zag ik weer een groot meer voor mij liggen.

Weldra doemde ook de scherpbelijnde, grimmig kale pyramide van den Baroedjari uit de nevelballen op en vertoonde zijn witgevlekten rookenden rand. Met tjemara's bedekte oevers omzoomden zijn voet en ik overzag den meerarm tot waar hij grensde aan het dal tusschen Baroedjari en Rindjani en een breede weg, een natuurlijke laan van tjemara's naar dat stille dal heen voerde.

Over het warme meerwater trokken de dampen in lange rijen van nevelgestalten Zwijgend zweefden ze als een geheimzinnige stoet van schimmen naar de sombere laan, om heen te gaan naar het eenzame, wereldvergeten dal — het doodendal.

De avond viel snel tusschen de hemelhooge rotswanden en nog stond ik vol aandacht voor den kleurigen strijd tusschen den dag en den nacht, toen langs mij een kleine optocht trok. Eenige Balineezen, die dichtbij onder een boom kampeerden, kwamen plechtig aangeschreden, gehuld in witte gewaden; de voorste droeg eerbiedig een offerande gewikkeld in witte doeken en stil gingen zij verder naar de warme bronnen, die één hunner genezing moest aanbrengen.

Voorwaar, geen beteren indruk kon ik ontvangen van de levende heiligheid dezer wondervolle omgeving en dankbaar voor alles, wat deze gedenkwaardige dag mij geschonken had, zocht ik mijn tent op en ging, op een koffer gezeten, bij het licht van een klein lampje lezen, wat indertijd de voormalige controleur van Eerde schreef over het lustslot der Batara Rindjani.

In de maand Februari van het jaar 1903 hadden de assistent-resident Udo de Haes met van Eerde en Schoorel en inlandsche ambtenaren van Mataram uit, over den noordwestelijken caldera-rand (den Plawangan sëlat) den meeroever bereikt, met het doel, getuige te kunnen zijn, hoe de inheemsche waterschaps-beambten aan de meergodin pleegden te offeren om regen te verkrijgen.

Met fijnvoelend verstaan van hun opvattingen en indrukken en van de

Sluiten