Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Toen mij dat klaar was geworden, werden wij in wolken gehuld, die zich uit de kloof over het meer uitstortten, zoodat wij geen zweem meer van de oevers zagen en door kracht van tegenstelling werd het mij toen juist helder, dat als we midden op het meer in de nevels zouden geraken, dat wij dan op het kompas zouden moeten varen. Edoch, daar er zoo goed als geen stuur in ons log vaartuig zat en wij bovendien sterk door den wind zouden afdrijven, zouden wij na uren roeiens op, god weet welk, punt van den oever terecht komen, ja, misschien wel doelloos in een kringetje blijven rond varen, evenals aan verdwaalden in een bosch was overkomen.

En — om den fatalen kring van omineuze overwegingen te sluiten — kon ik er wel voldoende op vertrouwen dat onze drijf-blikken in het water van het meer water dicht zouden blijven? Een schipbreuk midden op de watervlakte, op een paar kilometers van den wal, zou noodlottig kunnen worden.

Zoo bleek het mij, dat onze watertocht geen spelevaren zoo worden en dat wel degelijk een vaarplan moest uitgedacht en voorzorgen genomen worden.

We besloten dan, om zeer vroeg in den morgen af te varen en te trachten nog vóór dat de wind uit de Poeti-kloof zou opsteken het midden te bereiken. Daar zou dan gelood worden en vervolgens naar het noorden geroeid om onder den hoogen bergwand tegen den wind beschut te zijn en vlak onder den wal naar onze kampplaats terug te werken. Als voorzorgsmaatregel zouden wij levensmiddelen voor één etmaal, dekens en lantaarn met het oog op een gedwongen nachtverblijf ergens aan den oever, mee aanboord nemen.

En toen wij dat alles keurig hadden geregeld en het ondertusschen middag was geworden, gingen wij heerlijk in het meer zwemmen en genoten van het door de zon doorwarmde water, van de wijde vlakte, waarover onze blikken scheerden en van de sensatie om in zulk een heilig bergmeer zes duizend voet boven de zee rond te mogen zwemmen. Wij keken door het water of wij op den meerbodem niet al die gouden krabben, garnalen en visschen zagen liggen, maar ontwaarden niets dan steenen, zoodat wij concludeerden dat de godin haar sieraden naar haar schatkamer had gebracht.

Sluiten