Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De booze wind was echter weer opgestoken en het kostte een reuzenmoeite om uit de ontbijtbaai te komen.

Wij kropen daarna langs de loodrechte wanden en kwamen met trekken aan takken, afduwen met stokken, ja zelfs, door met de handen aan de rotspunten te trekken, vooruit', zoodat wij na ruim een uur het strand van het doodendal bereikten, tot schrik van de talrijke bergeenden, die in deze eenzame contrijen broéien. Allersnoezigste jonge eendjes zwommen er rond en toen wij aankwamen doken ze ijlings onder water Ook toen een groote roofvogel kwam aanvliegen, zagen wij ze onderduiken; dat had hun mama hen blijkbaar ter dege op het hart gedrukt. De eenden, die wij bij onze vaarten vaak in paartjes tegen kwamen, voeden zich zeker met wier en schelpdiertjes, want visch is in dit bitterzoute meer nergens te bekennen.

Wij stapten aan wal en wandelden weldra op, door de natuurlijke laan, die gezien van uit ons kamp, zoo geheimzinnig naar het stille dal leidde. Ze maakte een bocht en bracht ons toen in meer open terreinen met ijle tjemara- boomgaarden en drooge beddingen van regenrivieren.

Achter ons was de rand van een lavastroom, een muur van chaotisch opgestapelde, donkergekleurde rotsblokken en vóór ons welfden zich groene ruggen, maar dan steigerden plotseling de geweldige wanden loodrecht op. In de hoogte verloren ze zich op geheimzinnige wijze in nevels, maar ik wist, dat zij zich tot duizelingwekkende hoogten verhieven en dezen geestentuin in een enge beklemming afsloten van de wereld der menschen.

Plechtige stilte heerschte tusschen de roerlooze tjemaraboomen, geen levend wezen hoorden noch zagen wij en wij schroomden verder door te dringen, vreezend om den toorn op te zullen wekken van de onzichtbare dienaren der godin, die wij voelden, dat hier rondwaarden; want nimmer nog waren sterfelijke menschen in dezen geheimzinnigen hof der berggeesten doorgedrongen.

Edoch, ook hier was godin Rindjani ons goedgunstig genegen en onverlet verlieten wij, door de statige slotlaan, den menschenvreemden tuin van haar geweldig bergkasteel.

De zon was al bijna achter de westwallen van onze groote Caldera

Sluiten