Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

NACHTWAAK OP DEN MERBABOE

(INFINITAS).

j ICHTENDE nevelen omhulden den berg en lieten mij enkel [ den top over, ars het eenige wat van de aarde nog restte, als het laatste vaste punt in den vormenloozen bajert van dampen, die alles verzwolgen had, wat nog kort te voren den hoogen bergkam met de wereld beneden verbonden

had. En gelijk vogels uitfladderen, wanneer hun kooideur wordt opengezet, zoo vlogen toen mijn gedachten uit en waren met een enkelen wiekslag van den bergtop in de regionen der eindeloosheid overgevlogen. Maar, evenals de vogels verschrikt door de, na lange gevangenschap, herkregen vrijheid, terugkomen in de kooi als de meester hen roept, zoo keerden ook mijn gedachten uit de grenzenlooze velden, toen de aarde door de zich oplossende nevels, weer tevoorschijn trad en mij wenkte met haar strengen blik.

Edoch, de lokkende stem der bandelooze vrijheid had geklonken en toen de nacht gevallen was, zou zij ten tweede male roepen.

Op den luchtigen kruin van den Merbaboe was ik gezeten, op den grooten berg, die in Midden-Java eerwaardig zich verheft boven de aloude vlakten van Kedoe en Solo, waar hij al sinds duizend jaren neerkijkt op de schoonste der Hindoetempels in hun bloei en vergaan.

Van verre gezien rijst hij als een regelmatige kegel omhoog, maar, langs zijn ribben opwaarts klimmende, ontwaart men, hoe zijn flanken diep uitgespoeld zijn, gedurende de lange, lange tijden, sedert dan zijn vulkanische kracht uitgedoofd is, zoodat zijn vroegere krateropbouw volkomen onherkenbaar is geworden.

Mijn metgezel en ik hadden in den vroegen morgen Sëlo, het sultansbuitenverblijf, dat gelegen is op het zadel tusschen Merapi en Merbaboe, verlaten en waren tegen de zuidhellingen van den berg opgeklommen; eerst over kale velden in mist en regen, toen door nat struikgewas bij opklarend

Sluiten