Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

omhoog. Geweldige wolkentorens, goudgerand en rood van flanken, zagen wij ineenzakken, maar geluidloos; uit den grimmigen, gloeienden kop van den Merapi stegen rookwolken op, maar zwijgend. En ook wij . zwegen, verzonken in den aanblik van den stillen strijd tusschen licht en dampen, schijnsel en schaduw.

Toen kwam de- nacht en de strijdende elementen weken voor zijn majesteit. Het zonnelicht doofde uit; de witte dampen losten zich op en schijnsel en schaduw werden gelijkelijk overdekt door zijn donkeren mantel.

Allengs blonken toen in dien zwarten floers fijne lichtpuntjes op; heel ver en heel teer; verradende de woonplaatsen der menschen in de vlakte. Westwaarts, diep onder ons, de lichtjes van Magelang en aan de andere zijde van den berg die van Bojolali; hier en daar het eenzame licht van een onderneming, terwijl ver aan den noordelijken gezichteinder de schijn van Semarang gloorde.

Stil keken die lichten op uit de vlakte, daar diep. diep, beneden ons, want hun stem, die sprak van de aarde, kon de hoogte van onzen bergtop niet bereiken, zoodat hun teer schijnsel was als een herinnering aan aardsche dingen.

Als een herinnering ook aan aardsche hartstochten was een wolkenkop, die, heel ver aan den horizont, telkens weer enkele oogenblikken in weerlichtschijn uit het duister opflitste.

Mijmerend keken wij toen opwaarts en ziet, daar boven ons had de oneindigheid zich geopend!

Ontelbare sterren fonkelden aan het uitspansel, dat als een eindeloosheid van zwijgende zwartheid ons omgaf.

Want lichtloos en geluidloos is de oneindige wereldruimte!

Al die millioenen zonnen, ze vermogen haar grenzenlooze uitgestrektheden evenmin te verlichten, als het vuur op het rif, dat een sidderende lichtstraal over de golven werpt, de wijde watervlakten van den oceaan kan verlichten. En de donder van hun barnende lichtlijven sterft uit in haar ijle leegten, als de zwakke hulproep van den verdwaalde in de woestijn.

Want ook leeg is de wereldruimte! • En de zwermen van stralende zonnen, die in steeds grooter afstanden voor ons oog oplichten, zóóver eindelijk, dat ze zich als een mat

Sluiten