Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Steeds Zuidoostwaarts loopt de weg, nu langs den Palakat, die naar de Seliti toestroomt en eerst langzaam, daarna sneller stijgt hij van het 400 meter hoog gelegen Moearo Laboeh tot de 900 meter hooge waterscheiding.

Om de vrij miserabele paarden te sparen, liep ik naast de kar, wat geenszins een opoffering was, want in den zonnigen morgen was de weg vol van het bewegelijk mozaïek van tallooze vlinders en het bosch ter weerszijde steeg tegen de berghellingen op met rijkdom van groene, bruine, ja roode boomkruinen en was vol vogelgezang.

Langs den weg waren ook vele ladangs en daarop waren de allergrootste boomen nog gespaard gebleven, als had men mij (nu gelukkig de rustig genietende wandelaar) telkens een nieuw natuurtafereel willen bereiden.

Waardoor, zoo vroeg ik mij af, boeit toch een groote, alleenstaande boom zoo sterk onzen blik? Wat is het wezen van zijn schoonheid, die nimmer faalt ons gemoed te ontroeren?

Is het, omdat hij met zijn opbouw en gestalte herinnert aan wat wij bewonderen in het menschelijk bestaan?

Kloek en krachtig rijst zijn stam op en is hij hoog gestegen boven het lage gedrang van struiken en heesters, dan ontplooit hij zijn bladerenkroon gelijk de mensch, die door stage inspanning een rijk kunnen en weten heeft verkregen en heilbrengend ontvouwt.

Maar het is niet alleen de figuur van den hoogen boom met de volle, breede bladerenkroon, neen, ook de tallooze andere gestalten herinneren ons telkens aan menschenfiguren in alle wisselingen van jeugd en ouderdom, blijdschap en droefenis, fierheid en ellende, vrede en oorlog.

De slanke boom, die opwaarts streeft als een idealist, meevoerend in hoopvollen opgang de klimplant; de lage, gedrukte boom van het hooggebergte, wiens kronkelende takken klagen over het barre bestaan. De droeve boom in het grauwe nevelbosch, hoog tegen de flanken van den berg, van wiens takken de zware mostressen naargeestiglijk afhangen, druipend van de tranen, waarmee zijn donkergroene bladen over de doodschheid van het stille woud weenen.

En de naakte boom, die met blanke bladerlooze takken opstijgt tegen de hardblauwe lucht, als met evenveel armen, die vruchteloos naar het hoogste grijpen, of, die, als de onwetende en zondelooze jeugd, heel

Sluiten