Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

TWEEDE DAG.

Den volgenden morgen blies ik reeds om half vijf „overal", omdat ik hoopte dien dag nog de boschgrens te kunnen bereiken en zoodoende in twee dagen den afstand af te leggen, waarvoor mijn voorgangers drie dagen noodig hadden gehad, ja, zelfs Veth en van Hasselt vijf. Maar die hadden moeten zoeken en kappen, ondanks de padvinders, die zij vooruit hadden gezonden.

Ook voor ons waren te voren drie lieden uitgestuurd om te kappen, maar geen hunner was ten slotte meegekomen en veel nut van hun werkzaamheden, hadden wij niet.

Soms raakte Soerialan, de gids, het boschpad kwijt en dan was het uitkijken naar oude kappingen, soms maar van een enkel takje, om het terug te vinden en juist dat rondzoeken is noodlottig voor een opvolger, want die vindt dan een aantal doodloopende eindjes pad en verwart zich daarin. Het is anders leerrijk om zulk een boschgids te volgen en op te merken volgens welke kleine kenteekenen hij zich richt. Is men onervaren dan loopt men bij de talrijke wendingen telkens mis, niet lettende op merkteekens van het pad, maar volgend een of andere toevallige opening tusschen twee struiken.

Zoo liep ik met den gids den anderen ver vooruit en vrijwel ongestoord kon ik genieten van het woud, dat, hoe hooger wij op de berghelling en de zon op den hemelboog stegen, des te levendiger van plantenvormen en dierstemmen werd. Klimplanten klommen tegen de stammen op en lianen daalden van de takken af, bloeiende orchideën sierden de boomen kleurig op en mossen dekten hen toe. als om hen tegen de koude der hooge regionen te beschutten. Apengeluiden, heel hooge en diepe bastonen, schetterden en gongden uit de bladerkruinen en overal stroomde zonlicht naar binnen, alsof het een hooge feestdag voor het bosch was, waarop aan de vele uren van mistroostig nevelgrauw niet meer gedacht werd.

Zoo hadden wij wel een uur of drie geklommen, toen wij in een open gedeelte, gevormd door een afstorting, kwamen. Voor ons hief zich plotseling onze bergribbe op en ging over in de „somma" rand van den goenoeng Elok; het pad zwenkte oostwaarts af om in de bedding van den Timboeloen af te dalen. Die afdaling echter leidde door een wirwar van

Sluiten