Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

struiken en omgevallen boomen, zoodat weer de atavistische apenherinneringen in praktijk moesten worden gebracht. De rivier bleek zijn bedding zoo keurig glad te hebben gepolijst, dat het bekende pad der deugd, daarbij stroef ware te noemen en dat wij, geschoeiden, de Inlanders benijdden, die met hun bloote voeten aan de gewelfde spiegelvlakken schenen vast te kleven, terwijl wij telkens uitgleden. Bij de afdaling was het nog erger; toen gedroegen wij ons als hulpelooze slachtoffers van de hoogere cultuur.

Uit de beschrijving der eerste beklimming maak ik op, dat ook Veth en van Hasselt op die plaats in de rivierbedding zijn afgedaald, maar bij hooger klimmen door een waterval zijn opgehouden en, door regen overvallen, hier hun derde kampplaats op hebben geslagen. Zij hebben toen den volgenden dag zich door het kreupelbosch naar de naaste rivierbedding voortgeworsteld en ten slotte is Veth alleen nog een eind verder gekomen; maar de boschgrens hebben zij dien vierden dag nog niet bereikt.

Voor ons epigonen was het gemakkelijk; wij hadden noch een pad te zoeken, noch te kappen en ons eindpunt was verzekerd.

Toen wij de bedding verlieten en over een ribbe naar het volgende ravijn afdaalden en dat vervolgens nog eens herhaalden om in den oostelijken tribuant van den Timboeloen te geraken, begreep ik eerst recht, hoeveel moeite Veth en van Hasselt moesten gehad hebben. Het kreupelhout met zijn ijzerhard kromhout vormde een uiterst dichte massa en het pad was een tunnel, waardoor men vaak van tak tot tak moest voortkruipen. Voor de zwaar belaste Korintjiërs was dat geen gemakkelijk werk en wanneer men zich in zijn stillen zelf genoegelijk mocht verhoogvaardigen van nog flink te kunnen klimmen, dan was een blik op de, een lastigen last torsende barrevoeters, voldoende om die verwaande gedachten op de vlucht te jagen.

Als ik omkeek en ik zag onder mij de dragers zich, tusschen de takken, door het gat, dat pad moest heeten, heenwringen, naast mij de donkere boomwortel-spelonken met hun mosbehangen wanden, dan herinnerde het mij aan treffende illustraties in de boeken van Jules Verne, waar de helden zich ook door de diepste wildernis heen worstelen. Plaatjes, die onze jongens-verbeelding in gloed vermochten te zetten; een gloed, die soms een heel leven wist na te gloeien.

Sluiten