Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Nogmaals dalen wij dan af op de schuin-gladde vloeren van den middelsten bronrivier en drinken van het klare water, dat zich opzamelt tusschen de steenen welvingen en eerst bij den derden gaan wij een tusschenliggende vlakke ribbe op, die ons na een forschen klim tegen één uur op de plaats brengt, waar het geraamte van een hut den Kaboeng Boengo, de oude kampplaats, verraadt.

Het is heerlijk weer; wel omringt een wolkenmeer den berg en sluit elke doorblik naar het dal af, maar boven onze hoofden is nog blauwe lucht en heel de geweldige puinkegel verheft zich wolkenloos.

Mijn metgezel is al tweemaal hier geweest en wijst mij hoe men verder moet klimmen; eerst onzen rug vervolgen, dan naar rechts traverseeren om op den rand te komen, die verder naar boven leidt. Recht voor ons toch is een ravijn, dat met een groote blokkenlawine van den, boven, yoor ons liggenden kraterrand afdaalt. Dat ravijn is in den grooten kegelmantel als uitgestoken en de rechterrand van die geul moet men bereiken, omdat die doorloopt tot het verhoogde deel van den kraterrand, waartoe ook het allerhoogste gedeelte behoort.

De eerste beklimmers verdeelden zich den vijfden dag van hun tocht; Veth hield den rug rechts, van Hasselt dien links van de bedding en werkelijk zou van Hasselt dien dag den kraterrand al bereikt hebben, ware niet dicht daaronder één zijner lieden zoo leelijk gevallen, dat hij een bloedende wonde in het gezicht opliep. Toen daarna nog een onweer losbrak, smeekten zijn menschen hem terug te keeren; maar den zesden dag, den 11 den December 1878, gingen zij samen opwaarts en bereikten zonder ongeval den kraterrand. „Hetgeen ik" zoo schrijft van Hasselt „voor den top had aangezien, was de scherpe rand van een ontzaglijken krater met steile wanden; daar beneden, meer dan 1000M. diep, kookte het en stegen zwavel en waterdampen omhoog, die het eéne oogenblik de geheele ruimte vulden en in het volgende zich zoo verspreidden, dat de geheele bodem voor ons bloot lag. Die bodem deed zich voor als een zandvlakte, waarin op vele plaatsen zwavelmeertjes door hun gele kleur duidelijk te onderscheiden waren, met tal van aderen, die deze poeltjes voedden."

De ondernemende Veth trachtte tegen den steilen wand, die hen van den höogen kraterrand scheidde, op te klimmen, maar zijn halsbrekende

Sluiten