Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wind echter was geheel geluwd en kon geen nevels meer op den top vormen, zoodat ons verheven wandelterrein zich baadde in het middaglicht. Van koude geen sprake meer; de zon koesterde ons en drentelend gingen wij terug langs den afgrond, waarmee wij geheel vertrouwd waren geraakt 'en wij vermaakten ons met geweldige steenlawines te verwekken, zoodat een hol gedonder tusschen de reuzenwanden tot ons opsteeg en hier en daar een witte kring in het groene water den val van een blok verraadde.

De afdaling van den kegel was bezwaarlijk zonder moeilijk te zijn. 't Is daarbij al juist zoo als in het leven; het is ten slotte, als men het wel beschouwt, moeilijker om tot een lagere af te dalen, dan tot een hoogere op te stijgen. Behalve natuurlijk in het kwade, maar daaraan dacht ik, in die zoo hoog boven het wereldsch gewoel verheven regionen, zoo als van zelf spreekt, geenszins.

Langzaam dalen verlicht de bezwaarlijkheden en waarom zou men zich ook haasten, wanneer de wolken nog onder ons zijn en het rondzicht weidsch.

De steile helling, waartegen men nu niet, als bij de bestijging, opzwoegt, met het gelaat bijna tegen den rotsbodem aan, zinkt voor ons neer als een slaaf en glorieus stapt men naar beneden gelijk een koning van de treden zijner troon — heimelijk echter terdege achtgevend, dat hij niet over een roede van den looper rolt, in casu, dat ik niet uitgleed en met de scherpe rotspunten kennis maakte, wat mij desondanks toch gebeurde.

Voorwaar, zóó is het afdalen een genot en telkens verpoost men een oogenblik om ongestoord te kijken naar de wolkkasteelen en de verre vlaktebeelden tusschen hun witte muren gevat; neer te zien naar de ravijnwanden, die, daar beneden, afdalen naar de in hun diepte verborgen beeken, en naar de blokkenstroomen, die, als plotseling in hun val gestuit/bewegingloos neerliggen.

Ware het niet, dat de regenwolken dreigend begonnen te naderen en de honger aanving te knagen, ik zou nog veel later in den namiddag in het kamp terug zijn gekeerd. Nu was ik amper in de tent op mijn gemak bij iets warms gezeten, toen de regen weer begon te druppen.

Nog vele droppels vielen dien dag en ook des nachts, maar zij waren niet zoo vol van nat water als den vorigen dag en toen de aanbrekende morgen mij weer op kale en steile rotsvelden begroette, waren er beneden

Sluiten