Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

donker rossen gloed, die uit den krater tegen het zwarte rookwolken-dek werd geworpen en spookachtig flitsten weerlichten door het sombere dak. Vage nevels waarden door de vlakte heen als verdoemde zielen en zwarte struiken rezen voor mij op als booze geesten. De nacht vulde meer en meer de groote ruimte met haar duisternis, als somberheid een hart, en de dreigend zwarte wanden naderden elkaar, haar wijdheid verengend.

Steeds onbehagelijker werd het mij te moede en met steeds haastiger passen ging ik verder en erkende, met schampere lach over mij zeiven, dat het gezelschap van het Tosarische jochie mij niet onwelkom was. Trouwens nuttig ook, want met behulp van eenige lucifers vond hij den opgang naar den Moenggal-pas, dien ik alleen in de, eindelijk tastbare, duisternis vermoedelijk niet zoo spoedig opgespeurd zou hebben. Evenzoo waren zijn lichtstokjes van onschatbare waarde om de zigzagwendingen bij te lichten ; zonder die primitieve voorlichting ware ik vermoedelijk niet heelhuids boven gekomen en nog was ik dankbaar toen eindelijk, instede van een zwarten wand, de avondhemel zich aan het uiteinde van het laatste weggedeelte vertoonde.

Bij de hut op de pashoogte gekomen vond ik een man met een pakpaard, die eten, bultzak en dekens had gebracht en zonder verwijl, verlangend naar rust, verorberde ik mijn avondmaal, spreidde mijn legerstede, blies de kaars uit en hulde mij, klappertandend van de koude, die zich na de inspanning van den marsch dubbel deed gevoelen, in de dekens.

Lang duurde het echter voor het gemoed, opgezweept door een aangroeiende reeks van wisselende indrukken, als de zee door den stormwind, zich voldoende had neergelegd, dat de slaap de hut durfde binnentreden om aan mijn moede leden rust te geven.

Lang nog hoorde ik de beide Tenggereezen praten en het paard zich bewegen, totdat ik eindelijk in een onrustigen sluimer viel.

Instede van vaster werd mijn slaap echter allengs onrustiger, daar ik mij vaag bewust werd van iets onheilspellends, dat buiten aangroeide.

Bijna weer wakker, maar nog met gesloten oogen, hoorde ik 'n diep toe- en afnemend gebrom en toen ik ze opensloeg, zag ik door de reten van de planken wanden der hut een rooden weerschijn en hoorde doffe knallen. Plotseling drong het tot mij door) dat de Bromo heviger in werking

Sluiten