Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

eener gedempte nachtlamp. Uit den Bromo stegen stil de rookwolken op, wit glanzend in den maneschijn; geen gloed was meer te bespeuren. Een zwakke nachtwind gleed langs mij heen en beroerde strelend de harp der tjemara's; zoo teerzacht, als ware hij bevreesd de plechtige stilte, die in den tempel der nacht heerschte, te verstoren. Niet meer dan een zangerig ruischen vloeide uit het ragfijne loover der casuarinen, die schijnbaar roerloos stonden.

Het klonk als kwam het van heel ver weg, als uit ver verleden; droefgeestig zingend van langvervlogen tijden en langvergeten gebeuren.

Rust legde zich over mijn gemoed en rustig was daarna mijn slaap, totdat de roodwiekige dageraad aan de deur van mijn hut klopte.

SËMEROE.

Jaren verliepen.

Vele malen na dien morgen vloog de bontgewiekte vogel over den Tengger, en de bergtoppen, die zij met haar vleugels aanraakte, gloorden op in rooden schijn.

De zware slinger der wereldklok schommelde nauwelijks één maal heen en weer, maar mijn uurwijzer was langs de wijzerplaat van mijn leven vele, angstig vele malen rondgeloopen; snel — wanneer het geluk de raderen dreef; traag —in moeilijke dagen en sidderend, toen de klokhamer van het noodlot met kouden klank zijn uur sloeg.

Weer stond ik op de Moenggal-pashoogte en zag den jongen dag zegevierend over de berghoogten aanrijdend; maar ditmaal was ik, met een reisgezel en te paard, met vele dragers gekomen uit Tosari, dat wij in de koude vroegte verlaten hadden.

Sëmeroe-waarts ging het!

Maar, helaas, de Sëmeroe was niet meer, wat hij was geweest: de geduchte; de rook en steenen uitbrakende.

Voor hem was de wijzer zijner levensklok een vol uur voortgeschreden, want een korte, hevige uitbarsting had een einde gemaakt aan het indrukwekkende schouwspel van den telkens en telkens weer oprijzenden reuzenkolom.

Sluiten