Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Nimmer vergeten zal ik zijn schriklijk spel, zooals ik het aanschouwde op den Moenggal gezeten, steeds weer wachtende op nog een uitbarsting; opschokkend als ik de eerste zwarte rookballen boven den toprand zag uitschieten, zag uitbotten en groeiend oprijzen, terwijl donkere valstreepen de neerstortende steenen verrieden. Daarna de wolk snel hooger zag stijgen en witter zich kleuren, totdat in korten tijd een geweldige rookzuil boven den kalen kegel zich had verheven, als stak Sëmeroe, de geweldige, dreigend zijn vreeselijken strijdknots omhoog.

Maar dan kwam Aeölus, de listige, blies hem zijn wapen uit de hand en trok het lachende uiteen tot lange wolkenstreepen, die zich in de westelijke verte verloren.

Dat was zoo voortgegaan, ongetelde jaren lang, totdat eindelijk de oude geweldenaar in ernst boos werd en, brullend van woede, zulke ontzettende rookwolken uitbraakte, dat hij bosschen en beemden onder grauwe asch bedolf en argelooze tjemara's doodde, die hij jaren lang op zijn flanken had geduld.

Nog hoor ik het doffe gebrom, dat uit het Zuiden over de bergen naar ons, die toen juist op Tosari waren, heenkwam en zie ik, toen de wolken zich openden, het ontstellend schouwspel van den reusachtigen rookkolom, die zich als een dreigend scherm van wielende en woelende wolkenballen tot bijna boven onze hoofden uitbreidde. Weldra sloten zich echter de nevels en was het ons, als ware het rookmonster niets dan een boos visioen geweest.

De Sëmeroe had in die uitbarsting van woede zijn kracht verspeeld en op den morgen, na dien dag van losgebroken toorn, steeg — wij zagen het Bromowaarts gaande — niets dan een onschuldige damp langzaam uit zijn, voor ons oog verborgen, krater en tevergeefs bleven wij wachten op het opsteken van den ouden strijdknots.

Dat alles echter was alweer eenige jaren her, op dien zonnigen morgen, toen wij naar den grooten berg togen en zagen, dat de strijdbijl nog steeds begraven lag, ja, dat zelfs geen witte rook meer opsteeg en Sëmeroe star het grimmige hoofd in den lachend blauwen hemel stak.

Herinnering heeft haar eigen tijd.

Wat zich voor ons in de onverbiddelijke opvolging van den tijd heeft

Sluiten