Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

afgespeeld, het duikt weer in ons herinneren op, grillig dooreen, als blinkende visschen uit een wijden waterspiegel, en, wat drukkend lang heeft geduurd, het krimpt in tot een donkere stip, die als verdwijnt tusschen de breede vlakken, geboren uit de korte oogenblikken der verruktheid. Over de wijde spanning der tijden huppelt herinnering met luchtigen tred heen en weer, maar een tijdstip kan voor haar tot een ware eeuwigheid uitdijen.

De maten der ruimte zet zij om tot die van den tijd en wat voor haar als lichamelijke grootheid optreedt, was eens tijd, toen het gebeuren zich afspeelde, in wat wij plegen de werkelijkheid te noemen, maar wat, van een hooger standpunt beschouwd, wellicht niet meer werkelijk is dan onze herinnering. En wanneer de natuurphilosophen, heden ten dage, hun nieuw wereldbeeld ontwerpend, daarin aan het tijdelijke gelijken rang als aan het ruimtelijke geven, zoodat de verheven rust der eeuwigheid in deze vierdimensionaliteit heerscht, dan beschouwen zij dat wereldbeeld als met het instrument der herinnering.

Zoo ook zie en doorleef ik weer dien tocht naar den top van den Sëmeroe. De lange uren te paard doemen voor mij op als de lengte van het pad, dat over de wijde vlakheid der Zandzee naar den Ider-Ider-rand voerde en de open grasvelden en de steile, boschbedekte hellingen van den Ajek-Ajek zijn voor mij als de heugenis aan een tijd van vrij voorttrekken, hoog in het heerlijke gebergte, hoog boven de zorgenzwangere laagvlakten.

Al wat, als voorbijgaande vorm en kleur van het landschap, mij trof, dat was niet anders dan het blijvende in mijn gemoed, dat door bewustwording een wedergeboorte onderging. Zoo is de geheimzinnige wouddiepte van het groote bosch, dat den Kapala omvat en dat wij doortrokken, mij geworden tot een beeld, dat somber in mijn herdenken oprijst.

Maar vóór alles voel ik weer de geweldige afmetingen van den Sëmeroe-kegel, dien ik grimmig het naakte rotshoofd uit het boschkleed zag opsteken, toen wij uit de omslotenheid van het dichte woud waren getreden.

Grimmig ja, maar toch, hij gedoogde, dat wij langs zijn steil opstrevende ribben op zouden klimmen naar de hooge regionen, waarin hij dien trotschen kop omhoog hield.

^Nacht nog was het, toen wij de laatste tjemara-boomen achter ons

Sluiten