Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lieten en op de open puinhelling kwamen. Pel scheen de volle maanschijf uit een onbewogen lucht vol van hard licht, dat het berggevaarte nauw vermocht te verlichten, zoodat het donker dreigend voor ons oprees. Stille, ijzig koude lucht omgaf ons en geen ander geluid, als dat der onder onze voeten wegglijdende steenen, klonk door deze verstarde wereld.

Maar voor mij werd integendeel beweging alles; heel mijn wezen werd klimmen; alle spieren spanden zich in om met mij te worstelen tegen de steilte. Waar de helling met rapilli bedekt was, schoof de voet samen met het losgewerkte puin terug en in het mulle zand der geulen zakte hij weg, zoodat enkel door snelle schreden aan hoogte gewonnen kon worden. Maar, waar vast gesteente uitstak, werd het met vreugde begroet, al Vond de voet niet dan moeizaam een steunpunt op de scherpe rillen, die de helpende handen dreigden te verwonden of op de schuine steenplaten, waar ze telkens gevaar liep uit te glijden.

Edoch, iedere hinderpaal spoorde tot verhoogde strijdlust aan en de klare, koude lucht vulde de longen bij eiken zwaren ademtocht met nieuwe energie. Geen rust werd den vijand gegund en zienderoog begonnen de schuin oploopende ribben, die ter rechter en linker den reuzendriehoek voor mij begrensden, elkaar te naderen. Het koude maanlicht, vol van vijandig halflicht, week allengs voor den vriendelijken lach der roodwangige Aurora, die mij aanmoedigde tot nieuwe krachtsinspanning.

Zonder verpoozen klom ik, samen met een jongen Tenggerees verder en schepte moed voor het tweede uur klimmens, want twee uren, zoo had men mij gezegd, zou de klim minstens duren.

Maar Aurora had schalks geglimlacht en toen na het vijfde kwartier tot mijn verbazing de bovenste rand voor mij oprees, toen lachte zij met een eerste zonnestraal, die over ons heen lichtte, als wilde zij zeggen: „Gij weet toch wel, wat ik met mijn eeuwige jeugd vermag?"

Wat een feest!

Instede nog drie zware kwart uren van moeizaam opwaarts zwoegen, het gelaat gebogen naar de vijandige rotshelling, zoekende wéar de voet te plaatsen en de spieren krampachtig spannende om haar voor wankelen te behoeden, kon ik moeiteloos met vrij opgeheven hoofd den hoogen trans betreden, waar niets meer boven mij was dan het blauwe hemeldak. m

Sluiten