Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VOORDRACHT II. DE VÓÓR-SOKRATISCHE WIJSGEEREN.

Wanneer ik een aanvang ga maken met de behandeling van de geschiedenis der wijsbegeerte, wensch ik te beginnen met de Grieken en ga ik derhalve, wat ons van het wijsgeerig denken der Oostersche volken is overgeleverd, met stilzwijgen voorbij. Ik wil gaarne aannemen, dat het zeer de moeite waard zou zijn, zich te verdiepen in de wijsheid van Oud-Egypte, Oud-Perzië of Oud-China, of in de speculaties van de Bramaansche en Boeddhistische denkers van Oud-Indië; doch vooreerst ontbreekt mij de noodige kennis om dienaangaande met oordeel des onderscheids mede te spreken, en in de tweede plaats komt het mij, op grond van hetgeen ik er van weet, voor, dat ondanks de belangstelling, die deze dingen, op zich zelf beschouwd, voor ons zouden kunnen hebben, het wijsgeerig denken bij deze volken te innig saamgewevén is met mythólogische en religieuse voorstellingen, overleveringen en gebruiken, om zelfstandig te mogen heeten.

Aanvankeüjk is dat bij de Grieken evenzoo. Godenmythen, mystieke overleveringen en geheimleeren, met godsdienstige voorstellingen verbonden, welker oorsprong tot in den nacht der tijden reikt en ver buiten de Helleensche wereld te zoeken is, leveren aanvankelijk ook daar de stof, waarmede het wijsgeerig denken zich bezig houdt. Doch dat denken ontworstelt zich van lieverlede aan de mythische en phantastische elementen, waarmede het is vermengd en streeft naar klaarheid en vrijheid. Eerst bij de Grieken vertoont zich die nobele weetgierigheid, die sterke begeerte tot kennis en inzicht, zonder nevenbedoelingen, die het denken tot onafhankelijkheid en zelfstandigheid brengt.

Sluiten