Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Heraklitus, — 'het kan ons niet verwonderen! — denkt niet heel hoog van den mensch, al onderscheidt hij hem van de dieren. De ziel, individueel verschillend naar gelang van de grooter of geringer kracht van het in haar aanwezige vuur, is met haar verleden en haar toekomst ingeweven in den algemeenen natuurloop; met den dood eindigt haar individueel bestaan en wordt zij in het al-vuur opgelost, waaruit zij eenmaal is geëmaneerd. Van persoonlijke onsterfelijkheid is bij Heraklitus geen sprake.

God is alles, de mensch is niets. Daarom kent Heraklitus geen imperativistische ethiek. Hij onderscheidt wel edele, omhoogstrevende van laaggestemde „zielen, voor wier zinnelijkheid en onverstand hij slechts bijtende sarcasmen ten beste heeft; er zijn, volgens hem, wel helden en kuddemenschen; maar beiden zijn onmisbare bestanddeelen van het wereldverloop. Hij zelf is een vriend van de groote eenzamen, die heerschers en koningen zijn bij de gratie Gods. Maar alle wetten, dus ook die van hen uitgaan, zijn uitvloeisels van de onverbiddelijke wetmatigheid, die het heelal in al zijn onderdeden beheerscht. Hoe hij over zijne medeburgers oordeelt, moge blijken uit het volgende fragment:

„De Ephesiërs, die volwassen zijn, moesten zich maar allen zonder onderscheid ophangen en de stad aan de kinderen en onmondigen overlaten. Want Hermodorus, den bekwaamsten onder hen, hebben zij verbannen, omdat zij meenden: niemand onder ons mag de bekwaamste zijn, en wanneer iemand de bekwaamste is, dan zij hij het elders en onder andere menschen."

Voor wij van Heraklitus afscheid nemen, mogen wij niet nalaten op te merken, dat hij de eerste Grieksche wijsgeer is, die niet alleen zoekt naar eene verklaring van de wereld, maar tevens aandacht wijdt aan de oplossing van het probleem van den mensch, dat, gelijk wij zien zullen, eerst bij Sokrates in het middelpunt van het wijsgeerig onderzoekingsveld komt te staan.

Nadat wij ons hebben bezig gehouden met de Ionische-philosophie, vraag ik Uwe belangstelling voor een groep van wijsgeeren, die men

Sluiten