Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de aarde als een tranendal; volgens hen lag het ware leven aan gene zijde van geboorte en dood. De dichters en de zeven wijzen gaven niet meer dan practische levensregelen zonder samenhang. Demokritus gaat een stap verder; hij geeft wel is waar geen afgerond ethisch stelsel, maar toch wijst hij wel een centraal uitgangspunt voor de ethiek aan, waaromheen hij een aantal grondbeginselen groepeert. Daarbij plaatst hij zich op den reëelen bodem van het aardsche leven, zonder den zoekenden blik te richten naar datgene, wat er voor of achter kan liggen. Die centrale idee is bij hem de gemoedsrust, de zielevrede, de toestand van het volmaakte evenwicht, de kalmte des gemoeds, uit zelfconcentratie geboren, die denken doet aan een ongerimpelden, door de zon bestraalden zeespiegel. Negatief uitgedrukt is zij de onaandoenlijkheid van den wijze, diè al peinzende de wereld heeft doorvorscht, ten opzichte van die machten, waardoor de alledaagsche mensch zich laat imponeeren en overbluffen, als daar zijn: de schrikaanjagende voorstellingen van de goden en den Hades, of rijkdom, eer en macht, die zijn hart met booze begeerten of jaloerschheid vervullen. De zielerust der latere Epikuristen en het „Nil admirari" van Horatius zijn aan de Demokritische ethiek verwant. De legende van den „lachenden wijsgeer", die, hoogmoedig en geblaseerd, de wereld verachtelijk den rug toekeert, is van die ethiek eene caricatuur.

Onmisbare voorwaarde ter verkrijging van gemoedsrust is een „goed geweten", een begrip, dat, merkwaardig genoeg, bij den materialist Demokritus voor het eerst optreedt. Hoewel het bestaan van booze neigingen bij den mensch erkennende, beweert hij, zonder dit evenwel te bewijzen, dat het zedelijk bewustzijn autonoom is en legt, meer dan eenig wijsgeer vóór hem, nadruk op den eisch der plichtevervulling. Volgens Demokritus is de mensch voor zijn handelen volstrekt verantwoordelijk. De voornaamste regel voor 's menschen gedragingen behoort te zijn, dat de geestelijke goederen te verkiezen zijn boven de materiëeje en dat derhalve geldgierigheid de wortel is van alle kwaad. Groote beteekenis heeft voor onzen wijsgeer de opvoeding, het gewennen aan geregelden, plichtmatigen

5*

Sluiten