Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De fout lag reeds daarin, dat door Anaxagoras aan den voïm; een soort van geheimzinnige kracht werd toegekend, die hij niet bezat.

In de rede op zich zelf is geen scheppend beginsel aanwezig. Zij vermag slechts, hetgeen de werkelijkheid biedt, door het denken te regelen en te ordenen; doch zij kan die werkelijkheid niet scheppen. Losgemaakt van de werkelijkheid des levens, wordt de rede tot willekeur, die den onzin goedpraat en het ongerijmde bewijst; zooals Zeno bewijzen kan, dat de schildpad door Achilles nooit wordt ingehaald, omdat hij het werkelijkheidsmoment van den tijd buiten de rekening laat en in abstracto eene beweging fingeert, die slechts ten opzichte van de ruimte beschouwd en gemeten mag worden.

De demos zelf is zulk een gefingeerde en van de werkelijkheid losgemaakte onderstelling. Ieder burger, die tot haar geacht wordt te behooren, loopt gevaar om een sophist te worden, die zich buiten de volle werkelijkheid des levens om een gedachtenspinsel weeft, en dat gewrocht van eigen maaksel nu wil laten doorgaan voor de werkelijkheid zelve. Protagoras van Abdera, de grootste der sophisten, vat dan ook de grondgedachte van zijn leer aldus samen: „De mensch is de maat van alle dingen", daarmede bewerende, dat de enkele, individueele mensch heeft uit te maken, wat waarheid is en wat niet, zoodat aldus het bestaan van een algemeen geldende norm der waarheid ontkend wordt.

Het begrip: waarheid, verliest daarmede zijne objectieve beteekenis; er bestaat geen voor allen geldende waarheid; ieder heeft zijn eigen waarheid, of liever: ieder verklaart voor waar, wat hij volgens zijn persoonlijke opvatting nu eenmaal voor waar houdt. Iedere individueele meening aangaande de waadieid heeft hetzelfde recht of hetzelfde onrecht. Men heeft het volste recht iets te beweren, maar ook evenveel recht om het tegendeel te beweren. Om een voorbeeld te noemen: de Eleaten trachtten te bewijzen, dat het zijnde is, en dat het niet-zijnde niet is. Gorgias de sofist keert de zaak om. Er is niets wat is; wij kunnen alleen bewijzen, dat niets is, want al onze kennis is negatief; zij is voortdurend met zichzelf in tegenspraak, en kan dus niet iets, dat is, tot grondslag hebben.

Sluiten