Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VOORDRACHT VI.

PLATO.

Onder de adellijke Atheensche jongelieden, die zich schaarden om den persoon van Sokrates, bevond zich een zekere Aristokles. Hij werd geboren in het aanvangsjaar van den geweldigen Peloponnesischen oorlog. Van vaderszijde stamde hij af van den beroemden koning Kodrus, van moederszijde van den niet minder beroemden wetgever Solon. Om zijn breed voorhoofd, of om zijn breedgeschouderde gestalte, — dat blijft onbeslist, — werd hem in het gymnasion den bijnaam Plato gegeven, en onder dien naam werd hij wereldberoemd en bleef hij in de herinnering der eeuwen voortleven tot op den dag van heden.

Zooals de meeste jonge Atheensche edellieden van zijn tijd, genoot hij een hoogst zorgvuldige opleiding in al die wetenschappen en vaardigheden, die den toenmaligen mensch en burger sierden. Aristocraat naar afstamming en naar den geest, was hij, gelijk de meesten zijner standgenooten, afkeerig van de door Perikles consequent doorgevoerde democratische staatsinrichting en de omgang met den een tijdlang zoo populairen Sokrates was wel geschikt om hem in zijne politieke overtuiging te bevestigen; want van Sokrates kon hij vernemen, dat het staatsbestuur alleen veilig is in de handen der aristocraten naar den geest.

Flato's geschriften getuigen ervan, hoe diep hij zich geschokt voelde door den gerechtelijken moord, die aan het leven van den geliefden en hoogvereerden leermeester een droevig einde maakte. Na Sokrates dood vertrok hij met eenige gelijkgezinde vrienden naar Megara, waar hij door Euküdes in de geheimen der wiskunde werd ingeleid. Na Cyrene en Egypte te hebben bereisd, keerde Plato naar Athene

Sluiten