Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hem oneindig meer is dan het subjectief gedachtenspinsel van den eindigen geest; die naar zijne waardeering niets minder is dan de hoogste realiteit eener eeuwige, onwrikbare orde van dingen. In die wereld leefde Plato, die wereld was voor hem het vaderhuis; in haar voelde hij zich veilig en geborgen tegen alle rampen en wisselvalligheden, die het gewone aardsche bestaan van stervelingen met dood en verderf bedreigen.

De jeugdige Plato met zijn dichterlijken aanleg had ook wel dramatisch dichter kunnen worden. Dat hij de poëzie weldra vaarwel zeide en dat de wijsbegeerte voor eens en voor immer beslag op hem legde, dat is inzonderheid geschied onder den invloed van Sokrates, die bij hem belangstelling wist te wekken voor problemen, aan welker oplossing te arbeiden hem tot levenstaak zou worden.

Toch heeft hij als wijsgeer den oorspronkelijk dichterlijken aanleg van zijn geest niet kunnen en willen verloochenen. Want niet de koel beredeneerde verhandeling, maar de van persoonlijk, karaktervol leven tintelende dialoog was de vorm, die hem bij voorkeur tot voertuig van wijsgeerige gedachten-uiting diende. In nagenoeg al die gesprekken treedt Sokrates op als de voornaamste woordvoerder, die aan den loop der gedachtenwisseling de vaste leiding geeft. Die Platonische dialogen zijn een der voornaamste bronnen, waaruit wij onze kennis omtrent Sokrates putten, al is het vaak bezwaarlijk, ja onmooglijk, uit te maken, of wij met den werkelijken Sokrates te doen hebben, dan wel met Plato, die Sokrates zijne gedachten in den mond lïgt. Door hem zoo onophoudelijk al sprekende in te voeren heeft de leerling den meester een onvergankelijke eerzuil gesticht en niet minder heeft hij hem geëerd door aldus zijn groote ingenomenheid te verraden met de methode, die door Sokrates als waarheidszoeker was toegepast.

Maar nog op geheel andere wijze breekt bij Plato het dichterlijk element door. Het is dan, wanneer hij bij intuitie beseft, dat hij van dingen gewaagt, die het scherpzinnigste denken niet vermag te peilen, b.v. wanneer hij aanroert het scheppingsprobleem, of dat van de praeëxistentie der zielen, of van hare onsterfelijkheid, of

Sluiten