Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

die meer dan meening, die voor altijd en eeuwig volstrekt geldend is, niet meer voor dezen of genen, maar voor allen, niemand uitgezonderd. Heraklitus had beweerd, dat alles vloeide en veranderde en in wording was. Plato geeft dat toe voor al wat onder het bereik der zinnelijke waarneming valt; doch met Parmenides handhaaft hij naast de schijnwereld, die aan de veranderlijkheid onderworpen is, het eeuwig onveranderlijk Zijnde. Maar dit Zijnde is voor hem niet, wat het voor Parmenides was, één enkel star en strak begrip, waarmede men niets meer kan aanvangen, doch integendeel een door het denken omvaamde ideeënwereld, een machtig denkgebouw, waarvan de afzonderlijke ideeën de elementen zijn, die als even zooveel kostelijke steenen elk op zijn plaats zijn ingevoegd, zoodat geen enkele kan worden gemist, zonder de totale constructie te verminken of te schaden.

Oppervlakkig beschouwd zou men nu kunnen zeggen: die zinnelijk waarneembare wereld, die het materiaal voor de voorstellingen oplevert, is dan toch maar de eigenlijke wereld, de wereld der handtastelijke ervaring; en de wereld van begrippen of ideeën, door het denken daaruit afgeleid, is niet meer dan een ijl gedachtenspinsel van den menschelijken geest, waaraan het kenmerk der echte realiteit ontbreekt, een subjectief-menschelijk „Nevelheim", waaraan geen substantialiteit kan worden toegekend. Plato ontkent dit nadrukkelijk. Volgens hem is juist het tegengestelde waar. Juist de zinnelijke voorstellingswereld is zulk een „Nevelheim" vol toevalligheden, tegenstrijdigheden, onzekerheden. Hoogstens kunnen de zinnelijke voorstellingen voor den denkenden geest de aanleiding worden om zich op de eeuwige ideeën te bezinnen, aan de eeuwige ideeën herinnerd te worden.

Plato's bekendheid met de mathematische wetenschap, zooals zij door Euklides en de Pythagoreeërs. beoefend werd, heeft hem den blik geopend voor een rijk van eeuwige, onverandelijke waarheden, dat buiten en boven de zinnelijke waarneming bestaat. Het ruimtelijk karakter der geometrische elementen is wel is waar eenigermate zinnelijk van aard; doch die elementen zelf worden

Sluiten