Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

diepte van het onbewuste sluimert, te doen herleven. In het bijzonder is dit duidelijk te maken aan het proces der aesthetische waardeering. „Die bloem is schoon:", wat beteekent dat, volgens Plato, anders dan dat de zinnelijke voorstelling, door de aanschouwde bloem gewekt, in de ziel van den aanschouwer het schoonheidsbesef doet ontwaken, dat ongetwijfeld zou voortslapen, indien het niet door de correspondeerende voorstelling eener aanschouwde schoonheid werd wakker geroepen. Aldus vermag de schoone bloem de herinnering te wekken aan de idee der volmaakte schoonheid, die eenmaal in vollen luister de ziel moet hebben omstraald, vóór zij uit hooger sfeer in deze aardsche gewesten neerdaalde en daarbij de heugenis verloor aan die onvolprezen heerlijkheid der ideale wereld, alsof zij water uit den Lethestroom gedronken had.

Plato heeft een sterk geloof aan de prae-existentie der ziel. Hij kan die prae-existentie der ziel niet bewijzen, doch hij moet haar wel ten stelligste laten gelden; want met deze hypothese staat of valt, volgens zijn opvatting, de mogelijkheid om tot waarheid te komen. Met Heraklitus vermag hij in den wisselenden stroom der zinnelijk-waarneembare verschijnselen nergens eenige vastigheid, maar slechts een altijd voortdurend worden te zien; doch in dien wisselenden stroom des wordens wordt de waarnemende ziel telkens en telkens weer herinnerd aan de eeuwige, onvergankelijke ideeën, in vroeger doorleefd bestaan door haar in onmiddellijken, ongerepten luister aanschouwd. Aldus ontdekt de ontwakende ziel in blijde verwondering, dat één en dezelfde orde van onvergankelijke wezenlijkheden, één en hetzelfde rijk van het Eeuwig Zijnde, den grondslag uitmaakt, waarin haar eigen bestaan, zoowel als dat der waargenomen verschijnselen, rust.

Nogmaals zij het gezegd: Plato vermag dit niet te bewijzen en daarom roept de wijsgeer den dichter te hulp, ten einde ons in dat buiten alle menschelijke ervaring, boven al onze begrippen liggend gebied in te leiden. Hoe komt het, dat al wat de mensch aan weten bezit, niet op eenmaal als in een tooverslag in volle helderheid voor zijn geest staat ? Hoe moeten wij het ons denken,

Sluiten