Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat onze ziel, die bij onze geboorte niets weet, eerst langzamerhand met inspanning en vaak met hooge verrukking de bewustzijnstoestanden, die wij „weten" en „overtuiging" noemen, in zich voelt ontstaan, en zich aldus bewust wordt van het Eeuwig Zijnde, dat aan geen verandering of wisseling onderworpen is, omdat het staat, rotsvast staat, buiten den tijd?

In den Phaedros beantwoordt Plato deze vragen in den vorm eener wonderschoone mythe.

Onze zielen leefden vroeger, — zoo verhaalt hij, — in de hemelsche gewesten. Daar reden zij rond met de goden als gevleugelde tweespannen onder bestuur van een wagenmenner. De wagenmenner nu en de beide paarden der goden zijn goed en edel, maar het eene paard der andere zielen is slecht en trekt naar de laagte, zoodat het den wagenmenner de grootste inspanning kost, zijn span in toom te houden. Als nu de goden, Zeus vooraan, ten maaltijd gaan, rijden zij elk met hun span steil omhoog tot aan den bovensten rand van het hemelgewelf. Daar aangekomen, houden zij stil en staande op den rug des gewelfs, dat hen in zijn draaiende beweging meevoert, aanschouwen zij, wat boven den hemel is. Dat boven den hemel gelegen oord is nog nooit door een dichter bezongen, en nimmer zal een dichter in staat zijn het naar waarde te prijzen j want dat oord is het gebied, waar de reine onbeweeglijke gestalten van het Eeuwig Zijnde wonen, een onbeschrijflijk heerlijk land, waar de zielen der goden met waarheid en schoonheid worden gelaafd. En nadat zij aldus de waarheid hebben aanschouwd en ingedronken, keeren de zielen der goden naar hun span terug en zetten hun tocht aan de binnenzijde des gewelfs voort en thuisgekomen, brengt de wagenmenner de paarden naar de krib waar zij gevoed worden met ambrozijn en gedrenkt met nektar. Dat is het leven der goden. Maar de andere zielen hebben slechts met groote inspanning de goden op hun tocht kunnen volgen. Bij sommigen kon alleen de wagenmenner het hoofd juist voldoende omhoog houden om althans voor een korte wijle iets van de bovenhemelsche heerlijkheid te zien; want de last, die zijn tweespan

Sluiten