Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

leven terugkeeren om als dichters en kunstenaars, als rechters en wetgevers, als denkers en-wijsgeeren een hooger, gewichtiger plaats te bekleeden in de wereld-economie. In de overleveringen van onderscheidene volken der oudheid duikt het vermoeden op, dat het wereldproces na verloop van ettelijke duizenden van jaren in zich zeiven terugkeert, en aldus de eene wereldperiode na de andere zal volgen in oneindige wisseling. Doch wat moge wisselen of veranderen, de zielen zijn onsterfelijk; want zij nemen deel aan de levensbeweging, die haar diepsten wórtel heeft in het Eeuwig Zijnde.

Hoewel volgens Plato de liefde bij machte is den mensch uit het lage land der aardsche zinnelijkheid op te voeren naar het in boven-creatuurlijke sfeer gelegen oord der eeuwige vastigheden, tracht de wijsgeer ons toch wel diep te doordringen van het besef der scherpe tegenstelling, die er bestaat tusschen de wereld van het Eeuwig Zijnde en de wereld der zinnelijk waarneembare dingen. Ook hier grijpt hij naar het middel eener diepzinnige symboliek, die hij neerlegt in het beroemd geworden verhaal, dat wij aantreffen in het zevende boek van de „Politeia", het boek over den „Staat".

Stel u, — aldus luidt het aldaar, — een aantal menschen voor in een onderaardsche, wijde spelonk, die in haar geheele lengte eene naar het licht gekeerde opening heeft. Van kindsbeen afhebben zij daarin gewoond, aan hals en beenen vastgesnoerd, zoodat zij zich niet kunnen omwenden en alleen kunnen zien wat vlak vóór hen is. Licht ontvangen zij van een vuur, dat van boven en ver achter hen brandt. Tusschen de gevangenen en het vuur loopt in de hoogte een weg en langs dien weg is een lage muur gebouwd, gelijk aan de houten heining, waarachter de goochelaars voor het publiek hun kunststukken vertoonen. Stel u nu vervolgens voor, dat menschen achter dien lagen muur voorbijgaan, die allerlei voorwerpen, beelden van menschen, dieren van hout en steen, en dergelijke dragen, welke boven den muur uitsteken. Sommigen van die lieden praten, anderen gaan zwijgend voorbij. Nu zullen die gevangenen van zich zelf en van elkander nooit iets te zien krijgen dan de schaduwen op den achter-

Sluiten